Recentelijk speelde in de transportsector een spannende overnamestrijd tussen Dockwise Shipping BV (hierna: Dockwise) en de Nederlandse Fairstar Heavy Transport NV (hierna: Fairstar). In deze zaak ging het om twee soortgelijke transportbedrijven die met elkaar al langere tijd concurreerden.[1] Dockwise, dat al een aandelenbelang van 19% had in Fairstar, gaf eind april 2012 aan Fairstar te willen overnemen. Op 9 mei 2012 was het aandelenbelang van Dockwise opgelopen tot 55%. Op 10 juli 2012 meldde de aggressor dat het 95% van de aandelen Fairstar in handen had. Dockwise kon dan via een zogeheten uitrookprocedure de resterende Fairstar aandeelhouders dwingen hun belangen te verkopen (artikel 2:101a BW). Tijdens deze vijandige overname kon Dockwise voorlopig niet in de boeken van Fairstar kijken, hetgeen dan ook enige risico’s met zich bracht.

Nadat Dockwise Fairstar had overgenomen, is Dockwise op een vervelende verassing gestuit. Fairstar had gedurende de hevige overnamestrijd een nieuw te bouwen schip van 89 miljoen euro besteld bij een bedrijf in China. Volgens Dockwise had Fairstar deze bestelling eerder moeten melden. Nu Fairstar dit niet heeft gedaan meent de nieuwe eigenaar Dockwise schade te hebben geleden.

De vraag die hier rijst is of er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurders van Fairstar door het verzwijgen van de koop. De rechtbank oordeelde dat de bestelling van het schip ‘ten onrechte’ niet in het jaarverslag is gemeld. Zij hebben immers willens en wetens namens Fairstar een bindende overeenkomst voor de bouw van het schip gesloten en dit vervolgens geheim gehouden. Daarmee hebben zij desbewust gehandeld in strijd met de statuten van Fairstar, de jegens de markt in acht te nemen informatieverplichting en de beursregels. Derhalve heeft de leiding van Fairstar haar taken onbehoorlijk vervuld en is zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het bedrijf en zijn nieuwe eigenaar, Dockwise, daardoor hebben geleden. Door het verzwijgen van de koop zag Dockwise, dat geen toegang had tot de boeken van Fairstar, zich na de overname met een onvoorziene financiële verplichting geconfronteerd. Op zijn beurt heeft Fairstar een kort geding aangespannen tegen haar accountant KPMG. Fairstar meent dat KPMG het jaarverslag over 2011 niet had mogen goedkeuren. Over deze aansprakelijkheid loopt momenteel een bodemprocedure bij de Rechtbank Amsterdam.

Het opmerkelijke in deze zaak is dat de schadeclaim zich ook jegens twee voormalige commissarissen richtte. De commissarissen zouden de aan hun opgedragen taak, in het bijzonder het houden van toezicht, niet naar behoren hebben vervuld. Zij hebben zich ten opzichte van het bestuur van Fairstar onvoldoende kritisch opgesteld en zij hebben meerdere malen verzuimd te handelen op het moment dat daartoe alle aanleiding bestond. De slotsom is dan ook dat de voormalige commissarissen hun taak als commissaris van Fairstar onbehoorlijk hebben vervuld en dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat ook zij jegens Fairstar aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan geleden schade (art. 2:149 jo. 2:9 BW).

In een schadestaatprocedure zal de vraag aan de orde komen of Dockwise te veel voor Fairstar heeft betaald. Dockwise vermoedt dat de aandelenkoers van het ten tijde van de overname financieel wankele Fairstar lager zou hebben gestaan als beleggers toen op de hoogte waren geweest van de forse investering die hen boven het hoofd hing.

 

Door: Najib Muslem

 

[1] Rechtbank Amsterdam, 30 september 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6932.

Previous post

De twee petten van Brian Moynihan

Next post

Woekerpolissen? Nationale Nederlanden sch(r)ikt!