Sinds het Klimaatakkoord van Parijs is het klimaat ook een belangrijker beleidsissue voor bedrijven geworden. De sector die een grote rol kan en moet spelen in de verduurzamingsslag, is de olie- en gassector. In dit kader was recentelijk Shell in het nieuws. Op de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering had duurzaam aandeelhouderscollectief Follow This (“FT”) namelijk een resolutie geagendeerd, waarin het Shell opriep haar winsten na dividend te gebruiken voor beleggingen in duurzame energie.[1] Uiteindelijk steunde slechts 3% (100 miljoen aandelen) van de aandeelhouders deze resolutie. Stemadviesbureaus en grote institutionele beleggers, zoals PGGM, zeiden de gedachte achter de resolutie te steunen, maar gaven aan niet ‘op de stoel van de bestuurder’ plaats te willen nemen. Ook het bestuur van Shell was tegen.

Dit roept bij de ondernemingsrechtjurist een tweetal vragen op. Allereerst, moest Shell dit punt van FT agenderen? En ten tweede, wat zou rechtens zijn geweest als de resolutie zou zijn aangenomen? Deze vragen worden in deze update behandeld.

Allereerst: het agenderingsrecht. Aandeelhouders hebben op grond van artikel 2:114a BW het recht agendering van een onderwerp te verzoeken. Het agenderingsrecht is een bevoegdheid die de aandeelhouders in staat stelt om toch enige invloed uit te oefenen op de koers van de vennootschap – een bevoegdheid die aan het bestuur toekomt (artikel 2:129/239 lid 1 BW).[2] Als tenminste 3% van de aandeelhouders de agendering verzoekt, dan is de vennootschap gehouden het item ook te agenderen.[3] Deze aantallen had FT en dus was Shell gehouden om het item te agenderen.

Een soortgelijke situatie speelde bij Fugro-Boskalis; ook daar was sprake van een stempunt waarin het bestuur werd aangemoedigd een bepaalde richting op te gaan.[4] Boskalis verzocht Fugro om agendering van een stempunt, inhoudende een aanbeveling aan het bestuur om een van haar drie beschermingsconstructies op te heffen. Fugro wilde dit niet als stempunt agenderen, hooguit als bespreekpunt. De rechter stelde Fugro hier in het gelijk.

De gedachte achter de respectievelijke resoluties was natuurlijk anders: Boskalis’ handelswijze leek een opmaat voor een vijandige overname te zijn, terwijl FT idealistisch gemotiveerd was. Toch geldt voor beide resoluties hetzelfde: het is niet aan de aandeelhouders de koers van de vennootschap voor te schrijven –  dat is aan het bestuur (behoudens een statutaire bepaling die het bestuur van een NV ertoe verplicht de aanwijzingen van een ander orgaan te volgen omtrent de algemene lijnen van het beleid; artikel 2:129 lid 1 jo lid 3 BW).[5] Daarmee is ook de tweede vraag beantwoord: het bestuur kan in principe een stempunt omtrent een door hen gewenste strategie dat door een meerderheid van de AV gesteund wordt naast zich neerleggen, want dit doet niet af aan de exclusieve bevoegdheid van het bestuur het beleid te bepalen. Het agenderingsrecht stelt de aandeelhouders enkel in staat om hun visie kenbaar te maken ten aanzien van een beleidspunt.

Hier kan weer tegenin gebracht worden dat dit in de praktijk vaak niet zo uitpakt, omdat een weigering de wens van een meerderheid van aandeelhouders te volgen zeer wel grond kan zijn voor een enquêteprocedure.[6] Ook doorkruist een zodanige stemming de bevoegdheden van het bestuur in zekere zin wel, omdat het bestuur haar beleidskoers nu nader zal moeten motiveren. De rechter bewaakt deze risico’s voor het bestuur dan ook, blijkens de eerder genoemde uitspraken.

De rechter zit voorlopig nog op de lijn van het bestuur en lijkt voorlopig niet voornemens om van koers te veranderen. Het bestuur blijft dus – behoudens haar wettelijke beperkingen en verplichtingen, zoals de verantwoordingsplicht – vrij om haar eigen beleidskoers te bepalen.

Door: Koen Bakker

 

[1] Zie o.a. FD 24 mei 2016, http://fd.nl/ondernemen/1152906/massale-steun-voor-fossiele-strategie-shell.

[2] F.M. Peters & F. Eikelboom, ‘De strijd over het agenderingsrecht tussen Boskalis en Fugro’, WPNR 2015, 7061, p. 407.

[3] Overigens bevat de Corporate Governance Code een bepaling (IV.4.4) inhoudende dat een aandeelhouder het agenderingsrecht pas gebruik na overleg met het bestuur over het desbetreffende punt.

[4] Rb. Den Haag 17 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3452 en later Hof ’s Gravenhage 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1531.

[5] Aldus de Hoge Raad in meerdere uitspraken, o.a. HR 13 juli 2007, JOR 2007/178 m.nt Nieuwe Weme (ABN AMRO) en HR 9 juli 2010, JOR 2010/228 m.nt Van Ginneken (ASMI).

[6] Zo was het geval bij Stork, die het slachtoffer werd van activistische aandeelhouders. Zie OK 20 januari 2007, JOR 2007/142 (Stork).

Previous post

De privatisering van Holland Casino

Next post

Bestuur 2016-2017