Op 3 april jongstleden heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over concernaansprakelijkheid. De casus was als volgt: moedermaatschappij Bia beheer had een 403-verklaring afgegeven voor haar dochter Mastertools.


403-verklaring?
Artikel 2:403 BW is het gevolg van de EU-richtlijn jaarrekeningen (Richtlijn 2013/34/EU). Titel 9 van Boek 2 van het BW bevat bepalingen over het opstellen en publiceren van de jaarrekening. Artikel 2:403 BW bepaalt dat rechtspersonen die tot een groep behoren hun jaarrekening kunnen consolideren wat tot gevolg heeft dat dochtermaatschappijen niet verplicht zijn hun jaarrekening volgens de voorschriften van titel 9 Boek 2 BW in te richten. De moedermaatschappij moet dan wel voldoen aan een belangrijke voorwaarde: ze dient zich schriftelijk aansprakelijk te stellen voor schulden uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap (art. 2:403 lid 1 sub f BW). Ratio is onder meer dat eventuele crediteuren van de dochtervennootschap gecompenseerd worden voor het gebrek aan informatie: vanwege de consolidatie van de jaarrekening heeft de dochtervennootschap immers geen eigen jaarrekening op grond waarvan de crediteur de kredietwaardigheid  van haar zakenpartner kan beoordelen.


Eikendal q.q./X
Terug naar het arrest. Op een zeker moment worden beide vennootschappen in staat van faillissement verklaard en er worden verschillende curatoren benoemd. Een crediteur heeft nog geld te vorderen van Mastertools en treft hierover een schikking. Het bedrag dat is overeengekomen dekt echter slechts een gedeelte van de vordering. De schikking wordt getroffen tegen finale kwijting van Mastertools.

Voornoemde crediteur spreekt vervolgens moedermaatschappij Bia beheer aan tot betaling van het restant van de vordering. De crediteur stelt dat Bia beheer op grond van de afgegeven 403-verklaring gehouden is het restant te voldoen. Bia beheer verweert zich met de stelling dat de vordering door de schikking teniet is gegaan en dat de 403-verklaring niet zo breed mag worden uitgelegd dat Bia beheer voor het restant kan worden aangesproken. Het Gerechtshof ‘s Hertogenbosch verwerpt dit verweer. Volgens het hof kan Bia beheer nog steeds op grond van hoofdelijkheid worden aangesproken en is de vordering met het bedrag van de schikking verminderd. Dit is conform de bepalingen omtrent hoofdelijkheid in boek 6 BW.

De Hoge Raad volgt het hof. Geklaagd wordt dat de afgegeven verklaring strekt tot aansprakelijkheid voor bestaande vorderingen van de dochtermaatschappij. Dit zou meer in lijn zijn met de Europese richtlijn die ten grondslag ligt aan art. 2:403 BW. In deze richtlijn wordt gesproken van een garantstelling door de vennootschap met de geconsolideerde jaarrekening. De Hoge Raad verwerpt deze klacht met een verwijzing naar zijn in 2002 gewezen arrest Akzo Nobel/ING waarin is bepaald dat hoofdelijke aansprakelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met borgtocht. In voornoemd arrest heeft de Hoge Raaf tevens aangegeven wat het minimum is voor een 403-verklaring; namelijk een eenzijdig ongerichte rechtshandeling die rechtstreekse aansprakelijkheid met zich meebrengt en – anders dan borgtocht (7:851 BW) – geen afhankelijk recht is in de zin van artikel 3:7 jo. 3:82 BW.  Dat is in dit geval relevant: als er wel sprake zou zijn van borgstelling zou Bia beheer niet op hoeven te draaien voor het restant, de vordering van Mastertools is immers door de finale kwijting teniet gegaan en dus zou ze geen borg meer staan.


Concluderend
Met dit arrest heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat een moedermaatschappij op grond van de door haar afgegeven 403-verklaring nog steeds aansprakelijk is voor schulden van haar dochtermaatschappij indien laatstgenoemde een schikking treft. De Hoge Raad motiveert dit oordeel met een verwijzing naar zijn Akzo Nobel/ING arrest waarin hij bepaalde dat hoofdelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met borgtocht. Derhalve kan de moedermaatschappij op grond van de bepalingen omtrent hoofdelijkheid in boek 6 BW aangesproken worden tot betaling van het bedrag dat resteert na een schikking.

 

Door: Martjan Roelofsen

Previous post

Beursgang ABN Amro

Next post

De class action in rechtsvergelijkend perspectief