Als een aandeelhouder 95% van het kapitaal in een vennootschap verschaft en 95% van de stemrechten kan uitoefenen in die vennootschap, kan hij een vordering voor de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: ‘OK’) instellen om de resterende minderheidsaandeelhouders uit te kopen (art. 2:92a/201a/359c BW). Indien de eiser aan de gestelde criteria voldoet wordt hij tevens veroordeeld een billijke prijs te betalen voor de aandelen. De uitkoopprocedure vindt doorgaans in een van de volgende twee mogelijke gevallen plaats: (1) met een voorafgaand openbaar bod (art. 5:70 e.v. Wft), in welk geval de uitkoopprocedure het sluitstuk vormt van een bedrijfsovername; (2) zonder een voorafgaand openbaar bod.

 

De redenen voor het instellen van een uitkoopvordering zijn divers. De meest voor de hand liggende reden is natuurlijk het verkrijgen van 100% van de zeggenschap binnen de vennootschap, maar met een gewone meerderheid heeft een aandeelhouder doorgaans al controlerende zeggenschap in de AVA. Dit is dus niet doorslaggevend. Een ander motief is gelegen in het feit dat  minderheidsaandeelhouders rechten hebben waar de 95%-aandeelhouder rekening mee moet houden. Hierbij kan gedacht worden aan informatierechten en dividendrechten. Ook moeten nog fysieke AVA’s, met alle bijkomstige kosten en administratieve rompslomp, georganiseerd worden. In geval van een beursvennootschap kan een motief ook de delisting van een dure beursnotering zijn.

 

Nadeel van de uitkoopprocedure kan zijn dat het een langdurige en kostbare procedure is. Bovendien profiteren minderheidsaandeelhouders gedurende de gehele uitkoopprocedure nog mee van de investeringen die de meerderheidsaandeelhouder in de doelvennootschap doet. Dit komt doordat de waarde van de over te dragen aandelen wordt bepaald op de datum van de einduitspraak van de OK.Hierdoor kunnen minderheidsaandeelhouders er baat bij hebben de procedure zo lang mogelijk te rekken. Ook wordt vaak een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aandelen bevolen, waarvan de kosten al snel in de tienduizenden euro’s kunnen lopen.[1]

 

Recentelijk heeft de Ondernemingskamer echter bepaald dat dit een onwenselijke gang van zaken isindien de uitkoopprocedure op een openbaar bod volgt. In de Unit4-uitkoopzaak bepaalde de OK dat voor de waardering van de aandelenvoortaan wordt aangesloten bij de biedprijs van het voorafgaande openbare bod.[2] Dit betekent een flinke verbetering van de positie van de meerderheidsaandeelhouder en maakt een bedrijfsovername aantrekkelijker.

 

Aangezien de Unit4-uitkoopzaak een verstekprocedure en een uitkoopvordering na een voorafgaand openbaar bod betreft, moeten nog twee vragen beantwoord worden.Ten eerste: hoe zal de OK de prijs bepalen indien de procedure op tegenspraak wordt gevoerd? Mogelijk zal de prijs dan alsnog door de OK, eventueel na deskundigenonderzoek, worden bepaald. Waarschijnlijk zal spoedig duidelijkheid hieromtrent volgen, daar de momenteel bij de OK aanhangige Xeikon-uitkoopprocedure wél op tegenspraak gevoerd wordt.[3]Ten tweede: waar komt het peilmoment te liggen in geval van een uitkoopprocedure zonder voorafgaand openbaar bod? De OK overweegt in r.o. 3.18van voornoemde uitspraak dat de procedure dan in twee fasen kan worden opgeknipt, waarbij eerst een tussenvonnis wordt gewezen waarin de minderheidsaandeelhouders tot overdracht worden veroordeeld. Vervolgens wordt bij eindvonnis de waardering vastgesteld, met als peilmoment het tussenvonnis.Hiermee lijkt de OK aan te sluiten bij Saleminks aanbevelingen in zijn Nijmeegse proefschrift van vorig jaar.[4]Mijn verwachting is dat dit het uitgangspunt zal zijn, maar dat hiervan zal worden afgeweken indien de omstandigheden van het geval dit eisen.

 

Auteur: Jeroen van Calker

[1] Zie T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 400 voor een overzicht van de door de OK bepaalde maximumprijs van het deskundigenonderzoek gedurende de periode 2008-2013.

[2] Gerechtshof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2775, Ondernemingsrecht  2015/86 m.nt. Josephus Jitta (Unit4).

[3]Gerechtshof Amsterdam (OK) 26 mei 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2040 (Xeikon).

[4] Zie T. Salemink, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 234 e.v..

Previous post

De class action in rechtsvergelijkend perspectief

Next post

Ontvankelijkheid onteigende SNS-aandeelhouders