Inleiding

Naar aanleiding van de noot van Faber en Vermunt bij het arrest ABN Amro/Marell[1] en een artikel van Krzeminski in de WPNR[2] zal ik in deze Update kort stil staan bij complicaties die kunnen ontstaan indien een schuldeiser twee of meer hoofdelijk verbonden schuldenaren heeft en hij één of meer, maar niet al deze vorderingen verpandt aan een derde, eventueel met verpanding van de overige vorderingen aan een andere derde.[3]

De moeilijkheid schuilt bij hoofdelijkheid en pandrechten – denk ik – hierin dat het gaat om slechts één prestatie waar aanspraak op gemaakt kan worden door de schuldeiser, terwijl door verpanding van de vorderingsrechten op de hoofdelijk verbonden schuldenaren meerdere partijen (bijvoorbeeld pandhouder/schuldeiser of pandhouder I/Pandhouder II) in beginsel gelijkwaardige rechten op die ene prestatie kunnen verkrijgen.

Allereerst bespreek ik kort wat hoofdelijkheid is. Daarna behandel ik de situatie waarin één van de vorderingsrechten op de hoofdelijk verbonden schuldenaren openbaar verpand is en waarin één van de vorderingsrechten openbaar en een ander stil verpand is. Tot slot noem ik nog kort een moeilijk punt bij de uitwerking van de gedachte dat de inningsbevoegde pandhouder met een pandrecht op een vorderingsrecht jegens één van de hoofdelijk verbonden schuldenaren óók bevoegd is om de overige hoofdelijk verbonden schuldenaren aan te spreken.

 

Hoofdelijkheid

Het uitgangspunt van artikel 6:6 BW is dat indien een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Schuldenaren zijn hoofdelijk verbonden indien een prestatie ondeelbaar is of indien dit volgt uit de wet[4] gewoonte of rechtshandeling.[5]

Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn voor dezelfde geldschuld, kan de schuldeiser volgens artikel 6:7 lid 1 BW kiezen wie hij aanspreekt voor het geheel. De vorderingen op de verschillende schuldenaren zijn met elkaar verbonden op grond van de wet: artikel 6:7 lid 2 BW bepaalt dat nakoming door één van de schuldenaren, ook zijn medeschuldenaren bevrijdt.[6]

Omstreden is of de band tussen de vorderingen op de verschillende schuldenaren meebrengt dat hoofdelijkheid moet worden gezien als één verbintenis met verschillende schuldenaren of als verschillende verbintenissen met verschillende schuldenaren. Wat daarvan zij, vaststaat dat de vorderingen van de schuldeiser jegens de hoofdelijk verbonden schuldenaren als zelfstandig moeten worden beschouwd, tenzij de wet anders bepaalt.[7] Dit betekent dat de schuldeiser over de verschillende vorderingen kan beschikken door deze bijvoorbeeld te bezwaren met een pandrecht of een recht van vruchtgebruik. [8]

 

Pandrecht op een hoofdelijk verbonden vordering

Zoals hiervoor geconstateerd is de schuldeiser bevoegd om over de vorderingen jegens de verschillende hoofdelijk verbonden schuldenaren te beschikken. Dit betekent dat de schuldeiser bevoegd is om één van de vorderingen te verpanden en de andere niet, of dat hij de ene vordering openbaar verpandt en een andere vordering stil, al dan niet aan dezelfde pandhouder.

Indien sprake is van twee (of meer) hoofdelijk verbonden schuldenaren en slechts één van de vorderingen openbaar verpand wordt (zoals bijvoorbeeld de vordering op hoofdelijk verbonden schuldenaar I in de illustratie), kan men zich afvragen wat er gebeurt indien een andere hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet (zoals bijvoorbeeld hoofdelijk verbonden schuldenaar II in de illustratie). Als uitgangspunt geldt dat de verpande vordering door betaling van hoofdelijk verbonden schuldenaar I aan de pandgever/schuldeiser teniet gaat. Artikel 6:7 lid 2 BW geeft immers dat door betaling alle hoofdelijk verbonden medeschuldenaren worden bevrijd. Door tenietgaan van de vorderingsrechten gaat vervolgens ook het daarop gevestigde pandrecht op grond van artikel 3:81 lid 2 sub a BW teniet. Dit leidt tot de conclusie dat de pandhouder achter het net vist. Hoewel dit in het algemeen niet vaak zal voorkomen omdat in het merendeel van de gevallen ‘alle’ vorderingen verpand zijn, is duidelijk dat dit voor een pandhouder in die gevallen dat een van de vorderingen onverhoopt niet is verpand, geen prettige uitkomst is.

In de literatuur zijn om deze reden verschillende ‘routes’ genoemd om toch tot een andere uitkomst te komen. Zo is bijvoorbeeld door Vranken betoogd dat de pandhouder zich kan verzetten tegen inning van de niet verpande vordering door de schuldeiser/pandgever. Int de schuldeiser/pandgever de vordering toch, dan kan de pandhouder zich met voorrang op de opbrengst verhalen totdat hij voldaan is. Dit zou volgens hem aansluiten bij HR 19 december 1997, NJ 1998/690 (Zuidgeest/Furness).[9]

Biemans heeft voor cessie betoogd dat een hoofdelijk verbonden schuldenaar in beginsel slechts bevrijdend kan betalen aan beide schuldeisers (dus de oorspronkelijke schuldeiser van hoofdelijk verbonden schuldenaar II en de (nieuwe) schuldeiser (cessionaris) van hoofdelijk verbonden schuldenaar I) gezamenlijk op grond van overeenkomstige toepassing van art. 6:16 jo. 3:170 lid 2 BW, tenzij uit een beheersregeling anders voortvloeit.[10] Nog een stap verder zou het gaan om dit te transponeren naar verpanding – met als gevolg dat de pandhouder en de pandgever/schuldeiser weliswaar gezamenlijk bevoegd zijn om betaling in ontvangst te nemen, maar slechts de pandhouder gerechtigd is tot de opbrengst omdat dit uit hun rechtsverhouding voortvloeit (via artikel 3:166 lid 2 jo. 3:172 BW) – omdat door verpanding geen tweede schuldeiser in beeld komt, maar slechts een pandhouder met inningsbevoegdheden.

Indien voor één van de hierboven besproken oplossingen gekozen zou worden, kunnen die oplossingen worden doorgetrokken voor de situatie waarin sprake is van openbare verpanding van een vordering jegens één van de hoofdelijk verbonden schuldenaren én stille verpanding van het vorderingsrecht jegens een andere hoofdelijk verbonden schuldenaar aan dezelfde of een andere pandhouder. Indien de tweede pandhouder een stil pandrecht heeft, blijft de pandgever/schuldeiser immers schuldeiser en inningsbevoegd van de vordering op hoofdelijk verbonden schuldenaar II. De oplossing van Vranken zal er in dat geval waarschijnlijk toe leiden dat de pandgever/schuldeiser als inningsbevoegde van hoofdelijk verbonden schuldenaar II, zich er van moet weerhouden die vordering te innen. Indien de pandgever/schuldeiser desalniettemin overgaat tot inning hebben pandhouder I respectievelijk pandhouder II voorrang op de opbrengst ervan. De oplossing van Biemans zal er dan waarschijnlijk toe leiden dat de hoofdelijk verbonden schuldenaren slechts bevrijdend kunnen betalen aan pandhouder I en de pandgever/schuldeiser als inningsbevoegden van de aanspraken op beide hoofdelijk verbonden schuldenaren, waarbij de opbrengst dan intern moet worden toebedeeld aan pandhouder I respectievelijk pandhouder II uit hoofde van hun rechtsverhouding.

 

Inningsbevoegdheid en hoofdelijkheid als onderdeel daarvan?

Op grond van artikel 3:246 lid 1 BW is de houder van een pandrecht op een vordering na mededeling bevoegd om in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. In de literatuur is het standpunt ingenomen dat de pandhouder naast bijvoorbeeld het gebruik van het aan de aan hem verpande vordering verbonden zekerheidsrecht[11] en het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar van de aan hem verpande vordering,[12] óók andere (niet afhankelijke) rechten moet kunnen uitoefenen als onderdeel van de inningsbevoegdheid van de pandhouder. Hoofdelijkheid is genoemd als één van de bevoegdheden waar de pandhouder uit hoofde van zijn inningsbevoegdheid dan gebruik van zou kunnen maken.[13]

Als die gedachte zou worden gevolgd, levert de nadere uitwerking daarvan nog wel hersenkrakers op. Indien het aanspreken van hoofdelijk verbonden schuldenaar II onderdeel is van de inningsbevoegdheid van openbaar pandhouder I, zou bijvoorbeeld de vraag gesteld kunnen worden wat rechtens is indien de vorderingen op de overige hoofdelijk verbonden schuldenaren óók openbaar verpand zijn aan bijvoorbeeld pandhouder II. Geldt nu wie het eerst komt, het eerst maalt? Gaat de inningsbevoegde pandhouder met een ‘zelfstandig’ pandrecht op de vordering, soms, of altijd, vóór de inningsbevoegde pandhouder die slechts een van zijn eigen pandrecht afgeleide inningsbevoegdheid heeft? Of moet aangenomen worden dat de schuldenaren slechts bevrijdend kunnen bepalen aan de inningsbevoegde pandhouders gezamenlijk waarbij de opbrengst intern verdeeld moet worden?

 

Slot

De hierboven genoemde onduidelijkheid kan uiteraard worden voorkomen doordat de pandhouder kan verlangen dat alle vorderingen jegens de hoofdelijk verbonden schuldenaren aan hem worden verpand. De pandhouder is dan, na mededeling, exclusief bevoegd alle schuldenaren aan te spreken voor voldoening van zijn vordering. Vaak zal dit ook het geval zijn, maar voor die gevallen waarin dat onverhoopt niet is gebeurd constateer ik voor deze Update dat de combinatie van hoofdelijkheid en pandrecht vooral onzekerheid met zich brengt.

 

[1] HR 18 december 2015, JOR 2016/105 m.nt. Faber en Vermunt (ABN AMRO/Marell).

[2] Binnenkort te verschijnen in WPNR.

[3] Weliswaar zal het vaak zo zijn dat alle vorderingen van een pandgever/schuldeiser verpand zijn, toch zullen er ook casus voorkomen waarin dit niet het geval is. Ter illustratie: HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 m.nt. Bartman (Akzo Nobel/ING), waar kennelijk de aanspraak op de hoofdelijk verbonden moedervennootschap niet verpand was.

[4] Bijvoorbeeld art. 18 Wetboek van Koophandel.

[5] Bijvoorbeeld uit overeenkomst.

[6] Dat geldt ook voor de gevallen waarin de schuld wordt voldaan door inbetalinggeving, verrekening of op grond van artikel 6:60 BW, zie artikel 6:7 lid 2 BW, tweede zin.

[7] HR 3 april 2015, JOR 2015/191, r.o. 3.6.2 (Eikendal q.q./Lentink Metaalwarenfabriek).

[8] Uitgebreid: Asser/Sieburgh 6-I 2016/100.

[9] J.B.M. Vranken, ‘Verpanding, hoofdelijkheid en de nieuwe voorrangsregel van Zuidgeest/Furness’, WPNR 1999/6353. Hierover: A.J.J. Pors, ‘Verpanding van slechts een van de hoofdelijk verbonden vorderingen’, V&O 2002, p. 148.

[10] J.W.A. Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (Serie Onderneming en Recht, deel 65), Deventer: Kluwer 2011, p. 288. Het gaat dus niet om directe toepassing van artikel 6:16 BW maar om overeenkomstige toepassing en daarin ligt dan ook direct de moeilijkheid. Het is de vraag in hoeverre de situatie waarin meerdere schuldeisers dezelfde vordering hebben gelijk gesteld kan worden met de situatie waarin meerdere schuldeisers verschillende vorderingen hebben, ook al gaat het om dezelfde prestatie.

[11] HR 18 december 2015, JOR 2016/105 m.nt. Faber en Vermunt (ABN AMRO/Marell).

[12] HR 19 december 2016, JOR 2017/5 m.nt. Faber (Megalim/Veenbloem).

[13] Zie ook: S. Houdijk en M.S. Breeman, ‘De reikwijdte van de (innings)bevoegdheid van de openbaar pandhouder’, FIP 2016/217.

Previous post

Update in het kader van het Lustrumsymposium

Next post

Vraagtekens bij investeerder-staatarbitrage: een beschouwing van Slowaakse Republiek v. Achmea