In 2009 is bij besluit van de algemene vergadering van scheepvaartonderneming Rifgat BV bepaald dat de rechtspersoon wordt ontbonden en dat hiertoe alle activa en passiva worden overgedragen aan de enig bestuurder en dat het kapitaal en de reserves worden uitgekeerd aan de 100% aandeelhouder. Tevens is bepaald dat de vennootschap per 21 december 2009 ophoudt te bestaan omdat er geen baten meer zijn (art. 2:19 lid 4 BW), de zogenaamde ‘turboliquidatie’ wordt dus toegepast.

 

In 2012 besluit de algemene vergadering het ontbindingsbesluit te herroepen, omdat onder andere geen uitvoering is gegeven aan de overdracht van activa en passiva aan de bestuurder en van het kapitaal en de reserves aan de aandeelhouder. Bovendien bleek er nog een aanzienlijke vordering te zijn op een Servische vennootschap. Om die vordering te kunnen overdragen aan de bestuurder moet Rifgat BV als het ware ‘herleven’, omdat naar Servisch recht een ontbonden vennootschap niet bestaat en dus ook niet een vordering kan overdragen.

 

Bij de invoering van de Wet Flex BV in 2012 werd verwacht dat in de wet zou worden opgenomen de mogelijkheid tot het herroepen van een ontbindingsbesluit. Nu de wetgever dit niet heeft gedaan, lag de bal bij de Hoge Raad. Al enkele jaren bestaat in de praktijk de behoefte aan de mogelijkheid een ontbindingsbesluit terug te draaien, maar bestond tegelijkertijd onzekerheid over de geoorloofdheid daarvan. Met het arrest van 19 december 2014 (Rifgat) is eindelijk de Hoge Raad aan het woord gekomen over deze vraag.

 

Wettelijk kader

In art. 2:19 (lid 1) BW is de mogelijkheid opgenomen te besluiten de rechtspersoon te ontbinden, bijvoorbeeld bij gewoon meerderheidsbesluit van de AVA in geval van een kapitaalvennootschap. Dit kan zich voordoen indien het doel van de rechtspersoon is gerealiseerd of indien blijkt dat dit onmogelijk is. Als er vermogen is, moet dat geliquideerd worden. De vennootschap treedt dan ‘in liquidatie’, en na vereffening van het vermogen houdt de vennootschap op te bestaan. Wanneer er geen vermogen is, houdt de vennootschap direct op te bestaan.

 

Tot voor kort was onduidelijk of het ontbindingsbesluit ook kon worden herroepen. Enerzijds kunnen andere AVA-besluiten zoals een emissiebesluit ook herroepen worden. Anderzijds heeft een ontbindingsbesluit definitievere gevolgen dan enig ander AVA-besluit, dus betoogd kan worden dat herroeping niet mogelijk is vanwege de aard van het besluit. Ondanks de onzekerheid in de literatuur, werd in de praktijk gewoon gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot herroeping van een ontbinding. Net als andere herroepingsbesluiten wordt dit op dezelfde wijze gedaan als waarop het primaire besluit is genomen, in geval van een kapitaalvennootschap dus bij gewone meerderheid van de AVA. De vraag was of deze praktijk stand zou houden voor de Hoge Raad.

 

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat herroeping van het ontbindingsbesluit mogelijk is op dezelfde wijze als het ontbindingsbesluit is genomen. De Hoge Raad sluit dus tot zoverre aan bij de praktijk. Omdat bij herroeping de rechten van derden in het geding kunnen komen – bijvoorbeeld als in het kader van de liquidatie uitkeringen zijn gedaan, dan zullen bij de herroeping ook die uitkeringen moeten worden teruggedraaid – overweegt de Hoge Raad dat bij de herroeping van een ontbindingsbesluit extra waarborgen nodig zijn. Die waarborgen kunnen als volgt worden opgesomd:

  • indien voorzienbaar is dat derden nadeel zullen ondervinden als gevolg van de herroeping, staat dit daaraan in de weg, tenzij de vennootschap compensatie biedt, garanties geeft of anderszins zekerheid stelt om dat nadeel te compenseren;
  • herroeping heeft geen terugwerkende kracht, zodat reeds verrichte vereffeningshandelingen geldig blijven;
  • het besluit tot herroeping heeft pas rechtsgevolg indien de rechter overeenkomstig art. 2:19 lid 2 BW op verzoek van de vennootschap een daartoe strekkende verklaring heeft gegeven;
  • de vennootschap dient de rechter in staat te stellen te beoordelen met de herroeping geen belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid. Hiertoe dient de vennootschap alle relevante informatie te verschaffen die nodig is om hierover te oordelen, zoals opgaaf van de reden en het belang van de herroeping, jaarrekeningen, een accountantsverklaring omtrent de vermogenstoestand en een beschrijving van de handelingen die hebben plaatsgevonden tussen het ontbindingsbesluit en het herroepingsbesluit.

 

De Hoge Raad lijkt dus in verregaande mate mee te gaan met de reeds gangbare praktijk. Wel legt de Hoge Raad grote nadruk op extra waarborgen om derden niet te schaden. Verrassend kan dit niet genoemd worden, daar deze belangen en criteria goeddeels reeds in lagere rechtspraak zijn erkend en ontwikkeld.

 

Bedacht moet overigens worden dat een negatieve beantwoording op de vraag of herroeping mogelijk zou zijn, de merkwaardige situatie in het leven zou hebben geroepen waarin vennootschappen wier ontbinding is herroepen (en dus voortleven) alsnog als niet meer bestaand zouden moeten worden beschouwd. Deze vennootschappen zouden als het ware zombies worden: formeel dood maar feitelijk levend. Gelukkig voor deze vennootschappen oordeelt de Hoge Raad dus pragmatisch.

 

Door: Jeroen van Calker

 

Previous post

Ontstentenis of belet, vormt het een beletsel voor het functioneren van de onderneming?

Next post

Satudarah in Duitsland verboden: voorbode voor Nederlandse motorclubs?