Inleiding

Ongeveer een jaar geleden heeft de Ondernemingskamer (hierna: OK) een instemmend antwoord gegeven op de vraag of er sprake was van wanbeleid bij het Meavita-concern.[1] Recentelijk heeft de Hoge Raad in cassatie deze beschikking van de OK vernietigd.[2] In deze Update wordt de Meavita-zaak behandeld en wordt ingegaan op het oordeel van de Hoge Raad.

Meavita-debacle en concernenquêteprocedure bij de OK

Thuiszorgconcern Meavita ontstond in 2007 door een fusie van verschillende regionale (in Midden-Nederland actieve) thuiszorggroepen.[3] Het concern (met aan de top Stichting Meavita Nederland) hield zich bezig met het verstrekken van thuiszorghulp in overeenstemming met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Het concern had in 2008 een jaaromzet van € 525 miljoen, 20.000 medewerkers en bediende 100.000 cliënten. Daarmee was Meavita een van de grootste in Nederland opererende thuiszorgconcerns.[4]

Interne problemen (waaronder bestuurswisselingen en verschillen van inzicht tussen bestuurders en RvC), jaarlijkse operationele verliezen oplopend tot in de miljoenen euro’s en het mislukte TV-Foon project hadden in maart en mei 2009 geleid tot surseance van betaling en vervolgens de faillissementen van Stichting Meavitagroep en Stichting Meavita Nederland.[5]

In september 2009 diende AbvakaboFNV een verzoekschrift in bij de OK om een enquête te gelasten bij Stichting Meavita Nederland.[6] Dit verzoek werd door de OK gehonoreerd, daar er werd voldaan aan de ontvankelijkheidseis dat er gegronde redenen waren om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.[7] De OK baseerde dit oordeel op zeven punten, waaronder de effectiviteit van de bestuurlijke fusie die tot de concernvorming heeft geleid, de administratieve organisatie en interne controle van Meavita, de investeringen in het mislukte TV-Foon project en het functioneren van het bestuur en de Raad van Commissarissen.[8]

Op basis van het onderzoek naar het beleid en gang van zaken van een groot aantal onderdelen van het concern had de OK geconcludeerd dat er sprake was van wanbeleid.[9] Volgens de OK hadden bestuurders en RvC van (onderdelen van) het concern in ernstige mate gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Zo was er onvoldoende toezicht gehouden op de taakvervulling van de bestuurders en schoot de RvC tekort in haar toezichthoudende functie. Het gevolg was een onderzoekskostenveroordeling van de verantwoordelijke bestuurders en commissarissen en vernietiging van enkele déchargebesluiten.[10]

Cassatie bij de Hoge Raad

De verantwoordelijk gestelde functionarissen van Meavita zijn in cassatie gegaan tegen de hiervoor besproken beschikking van de OK.[11] Het eerste onderdeel van het middel klaagde dat de beschikking van de OK niet was gegeven op de datum waarop die volgens de beschikking zou zijn gegeven en dat de beschikking niet was gegeven door het wettelijk vereiste aantal rechters. De Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) schrijft op straffe van nietigheid van de uitspraak voor dat de OK moet rechtspreken met drie rechters en twee deskundige leden (niet zijnde rechterlijke ambtenaren).[12]

Beide onderdelen van de klacht slaagden. De mondelinge behandelingen bij de OK vonden plaats op 4 respectievelijk 5 juni 2014, terwijl bij de beschikking is vastgesteld dat de rechters en deskundigen de uitspraak op 6 juni 2014 hebben vastgesteld. De daadwerkelijke vaststelling van de beschikking vond pas plaats op 2 november 2015. Eén van de drie rechters (de voorzitter) van de OK was per 1 mei 2015 reeds gedefungeerd (wegens pensioen). Een gedefungeerde rechter kan niet meer als rechter in de zin van de Wet RO worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande was de uitspraak van de OK dus niet genomen met inachtneming van de bepalingen van de Wet RO. Het moment dat een beschikking wordt gegeven is, op basis van vaste rechtspraak, het moment dat alle betrokken rechters zich met de definitieve tekst van de beschikking hebben verenigd. De zaak moet op basis van dit processueel gebrek volledig opnieuw worden beoordeeld.[13]

Kostenverhaal

Ook oordeelde de Hoge Raad naar aanleiding van een ander onderdeel van de klacht dat verzoekers van de enquêteprocedure aan de OK kunnen verzoeken dat de door hen betaalde kosten van het onderzoek worden verhaald op de verantwoordelijke(n) zoals genoemd in art. 2:354 BW.[14] Dit is een uitzondering op art. 2:350 lid 3 BW.[15] Het is echter ook mogelijk dat de verzoekers een deel van de onderzoekskosten (willen) voldoen. Dat kan bijvoorbeeld spelen indien de rechtspersoon in kwestie de onderzoekskosten niet kan voldoen (bijvoorbeeld wegens faillissement). Op die wijze kan het onderzoek alsnog doorgang vinden, waar de verzoekers vanzelfsprekend baat bij hebben.

Motiveringsgebrek oordeel wanbeleid

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat er sprake was van een motiveringsgebrek.[16] De OK had bij haar beslissing tot de onderzoekskostenveroordeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre zij de verwijtbaarheid (van de onjuistheid van het beleid of onbevredigende gang van zaken) van de in de onderzoekskosten veroordeelde functionarissen van de rechtspersoon had betrokken. Er moet naast verantwoordelijkheid voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon namelijk tevens een persoonlijk verwijt kunnen worden gemaakt.[17]

Gevolg

De vernietiging van de beschikking van de OK heeft tot gevolg dat de Hoge Raad de zaak heeft terugverwezen naar de OK om deze volledig opnieuw te laten behandelen. De beslissing van de Hoge Raad is in lijn met de conclusie die de advocaat-generaal had gegeven.[18]

De huisadvocaat van FNV is van mening dat het arrest van de Hoge Raad niets verandert.[19] In beginsel lijkt dat niet geheel onwaarschijnlijk, omdat de Hoge Raad de beschikking slechts heeft vernietigd wegens een processueel gebrek. Het reeds gemaakte verslag blijft bestaan en derhalve blijven de in het verslag vervatte onderzoeksresultaten hetzelfde. De OK heeft op basis daarvan reeds geoordeeld dat sprake was van wanbeleid. De OK zal haar oordeel evenwel beter moeten motiveren voor zover het de persoonlijke verwijtbaarheid van de verantwoordelijke functionarissen voor het wanbeleid betreft.

Slotsom

De ongelukkige (processuele) misstap van de OK heeft ertoe geleid dat de Meavita-zaak opnieuw moet worden behandeld door de OK. Voer voor discussie is de vraag in hoeverre (en of) dit formeel gebrek invloed zal hebben op de inhoudelijke behandeling door de OK. De toekomst zal het leren. Met smart zal dan ook de nieuwe beschikking van de OK worden afgewacht.

 

 

 

[1] Hof Amsterdam 2 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4454.

[2]‘Meavita-zaak moet van Hoge Raad opnieuw’, Financieele Dagblad 2016 (gepubliceerd op 18 november 2016, online beschikbaar op https://fd.nl/economie-politiek/1176192/meavita-zaak-moet-van-hoge-raad-opnieuw).

[3] Het Meavita-concern bestond ten tijde van de verzoekschriftprocedure uit negen stichtingen en vier BV’s.

[4]‘Advocaat-generaal: zaak over wanbeleid Meavita moet over’, Financieele Dagblad 2016 (gepubliceerd op 2 september 2016, online beschikbaar op https://fd.nl/economie-politiek/1165879/advocaat-generaal-zaak-over-wanbeleid-meavita-moet-over).

[5] De TV-Foon was een beeldtelefoon die zorg op afstand mogelijk zou maken; M. Beunderman, Zorgbestuurders Meavita schuldig aan wanbeleid, NRC 2015, (gepubliceerd op 2 november 2015, online beschikbaar via https://www.nrc.nl/nieuws/2015/11/02/zorgbestuurders-meavita-schuldig-aan-wanbeleid-a1411821.

[6] Art. 2:344 BW, 2:345 lid 1 BW en 2:347 BW.

[7] Art. 2:350 lid 1 BW; Hof Amsterdam 30 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ6686.

[8]Hof Amsterdam 30 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ6686

[9] Hof Amsterdam 2 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4454.

[10] Art. 2:354 BW en art. 2:356 onder a BW.

[11]HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607.

[12] Art. 5 lid 2 en 3 jo. art. 66 lid 2 Wet RO; Overigens kan de nietigheid zoals bedoeld in art. 5 Wet RO slechts worden ingeroepen door middel van het instellen van een rechtsmiddel (in casu cassatie).

[13] Het slagen van onderdeel 1 van de klacht brengt reeds mee dat de zaak opnieuw moet worden beoordeeld, zie HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, r.o. 3.4.

[14] Deze overweging werd ten overvloede gegeven; HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, r.o. 3.4.

[15] Hieruit volgt uit dat de enquêtekosten steeds door de rechtspersoon worden betaald.

[16] De motiveringseis wordt gesteld in art. 5 Wet RO; wederom een ten overvloede gegeven overweging, zie HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, r.o. 3.4.

[17] HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607, r.o. 3.6.2.

[18] PHR 2 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:856.

[19] L. Vermeulen, FNV over zaak Meavita: ‘Inhoud van de zaak verandert niet. Wij verwachten zelfde oordeel: wanbeleid’FNV 2016 (gepubliceerd op 18 november 2016, online beschikbaar via https://www.fnv.nl/sector-en-cao/alle-sectoren/zorg-en-welzijn/vvt/nieuws/fnv-over-zaak-meavita-inhoud-van-de-zaak-verandert-niet.-wij-verwachten-zelfde-oordeel-wanbeleid/).

Previous post

Dag van de Nichekantoren

Next post

Eques naar Den Haag: Pels Rijcken en Bird & Bird