Het verankeren van de franchiseovereenkomst in Boek 7 BW is recentelijk een met enige regelmaat terugkerend onderwerp. De aanleiding voor deze update is het nieuwe conceptwetsvoorstel Wet franchise.[1] De invoering hiervan leidt tot een nieuwe titel 7.16 BW (art. 7:911-7:921 BW).

 

Geschiedenis

De eerste keer dat codificatie van franchise in Nederland aan de orde was, was in 1989.[2] In 2013 werd de discussie nieuw leven ingeblazen door Kolenbrander met een artikel in het NJB.[3] De toenmalige minister vond een wettelijke regeling nog niet nodig.[4]

In 2017 volgde een ommezwaai en een internetconsultatie om de in 2016 tot stand gekomen zelfregulerende Nederlandse Franchise Code (NFC)[5] wettelijk van toepassing te verklaren op franchiseovereenkomsten.[6] Uit de reacties van de franchisegevers bleek dat zij niet een verwijzing naar de NFC wensen, maar een wettelijke verankering van de franchiseovereenkomst zelf.[7] Ook juridische auteurs uitten kritiek.[8]

Het huidige regeerakkoord vermeldt dat een regeling ter bescherming van de franchisenemer in de precontractuele fase gemaakt wordt.[9] Het conceptwetsvoorstel Wet franchise is het begin van de uitvoering hiervan.

 

Franchise

Franchise is een samenwerkingsvorm waarbij de franchisegever de franchisenemer tegen vergoeding een franchiseformule[10] verleent om voor eigen rekening en risico een bedrijf uit te oefenen binnen het netwerk van de franchisegever.[11] Het in te voeren art. 7:911 onder f BW definieert de franchiseovereenkomst, waarbij voor een volledig begrip ook naar de daarin verwerkte begrippen franchiseformule (sub a), franchisegever (sub c) en franchisenemer (sub d) gekeken moet worden.[12]

De codificatie van de franchiseverhouding is bijzonder, omdat, in tegenstelling tot de andere in Boek 7 BW geregelde overeenkomsten, bij franchise beide partijen professionals zijn. De meeste bepalingen in Boek 7 BW zijn gericht op bescherming van de consument als zwakkere partij[13], terwijl ook de franchisenemer per definitie een professionele partij, handelend in beroep of bedrijf, is.

 

Inhoud

De belangrijkste onderwerpen zijn de introductie van goed franchisegever- en franchisenemerschap, informatieverplichtingen, wettelijke bedenktijd vóór het aangaan van de franchiseovereenkomst, (inhoudelijke) eisen voor de franchiseovereenkomst en overleg. Hieronder wordt ingegaan op de eerste twee onderwerpen.

 

Goed franchisegever en -nemer

De centrale begrippen in het voorstel zijn de franchiseovereenkomst en goed franchisegever- en franchisenemerschap (art. 7:912 BW). Uit de toelichting blijkt dat de begrippen in art. 7:912 BW een verwoording van de redelijkheid en billijkheid zijn.[14] Kolenbrander schrijft in een blog het nut van deze bepaling niet te zien.[15] De concepttoelichting geeft de vergelijking met goed werkgever- en werknemerschap, art. 7:611 BW.[16] Bij de invoering van art. 7:611 BW speelde eenzelfde discussie over het nut van die bepaling.[17] Volgens de HR ligt de toegevoegde waarde in het specifiek toespitsen van de redelijkheid en billijkheid op de arbeidsrechtelijke verhoudingen.[18] Eenzelfde argument is ook te maken voor de franchise; de concepttoelichting bevat al een aantal gezichtspunten over hoe de franchisepartijen zich tegenover elkaar dienen te gedragen[19].

 

Precontractuele verhoudingen

Opvallend is dat de concept toelichting beoogt dat art. 7:912 BW al in de precontractuele fase tussen de aspirant-franchisepartijen geldt.[20] Ook de begrippen franchisenemer en franchiseonderneming,  gelden al voordat de franchiseovereenkomst gesloten is.[21]

Informatieverplichting

De kern van de het conceptwetsvoorstel zijn de uitgebreide wederzijdse informatieverplichtingen (art. 7:913-917 BW). De informatieverplichtingen zijn een concretere uitwerking van het goed franchisegeverschap en franchisenemerschap en gelden zowel in de precontractuele als contractuele fase.[22] Voor de precontractuele informatieverplichting bevat art. 7:915 BW een uitgebreide lijst aan te verstrekken gegevens, zoals de financiële gegevens over de franchiseformule.

Een wettelijke precontractuele informatieverplichting is naar Nederlands vermogensrecht bijzonder.[23] Opgemerkt kan worden dat ook in andere verhoudingen behalve franchise een (precontractuele) informatieverplichting nuttig kan zijn.[24] In dat geval zou deze informatieverplichting niet slechts voor franchiseverhoudingen in Boek 7 geregeld moeten worden, maar in zijn algemeenheid in Boek 6 BW.[25]

 

Kritiek huidige voorstel en conclusie

Ook op het huidige conceptvoorstel is commentaar geleverd.[26] De internetconsultatie heeft 363 openbare reacties opgeleverd.[27] Voor een gedeelte lijkt deze kritiek overeen te komen met de kritiek op het conceptwetsvoorstel uit 2017.

Aan deze kritiek wil ik het volgende toevoegen. In de concepttoelichting wordt aangegeven dat franchisepartijen niet vaak procederen.[28] Hierin wordt een rechtvaardiging gevonden om de franchiseovereenkomst ter bescherming van de franchisenemer wettelijk te regelen. Derhalve zijn de vele open normen in het conceptvoorstel opvallend: goed franchisegeverschap en franchisenemerschap (art. 7:912 BW), tijdige informatieverschaffing (art. 7:913 BW), de verwijzing naar goodwill (art. 7:919 lid 1 BW) een afnamebeding mag niet verder strekken dan in het handelsverkeer gebruikelijk is (art. 7:919 lid 2 BW), een wijziging die aanzienlijke gevolgen teweegbrengt vereist instemming van de franchisenemer (art. 7:919 lid 4 BW). De concepttoelichting bevat slechts een beperkte uitleg wat onder deze open normen moet worden verstaan en verdere uitleg wordt aan de rechter overgelaten.[29] Een regeling (ter bescherming van de franchisenemer) die veel rechterlijke uitleg behoeft, terwijl de franchisenemer niet snel de gang naar de rechter maakt, klinkt tegenstrijdig.

De wetgever is weer aan zet. Het concept is nog niet volledig, dus aanpassingen zullen zeker volgen. In elk geval komt een wettelijke regeling voor franchise steeds dichterbij.   Maar misschien is daartoe nog een derde conceptwetsvoorstel nodig?

 

[1] Wet franchise van 12 december 2018, https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[2] Kamerstukken II 1988/89, 20842, 9, p. 1-2.

[3] J.H. Kolenbrander, ‘Franchising. Waarom het eigenlijk best een goed idee is om van de franchiseovereenkomst een benoemde overeenkomst te maken’, NJB 2013/2302, afl. 39, p. 2736-2741.

[4] Kamerstukken II, 2013/14, 31311, 119, p. 6; zie ook I.S.J. Houben, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2015/157 (bijgewerkt tot 1 september 2014).

[5]De Nederlandse Franchise Code 2016, bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 31311, 165.

[6] Regels voor franchising van 12 april 2017, https://www.internetconsultatie.nl/franchise/details.

[7] Wet franchise van 12 december 2018, p. 4 & 5 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

Zie voor reacties op het conceptvoorstel uit 2017: https://www.internetconsultatie.nl/franchise/reacties.

[8] Zie bijvoorbeeld T. de Mönnink, ‘Franchise: begin met het waarom’, ORP 2018/87, afl. 4, p. 28-34; M. de Koning, ‘Het ‘wettelijk haakje’ van de Nederlandse Franchise Code’, NJB 2017/967, afl. 18, p. 1251-1258; H.N. Schelhaas & J.H.M. Spanjaard, ‘Het wetsvoorstel franchise: better think twice!’, Contracteren 2017/3, p. 105-115.

[9] Vertrouwen in de toekomst (Regeerakkoord 2017-2021), bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 34700, 34, p. 35.

[10] Dit begrip wordt in het voorgestelde art. 7:911 onder a BW beschreven en omvat het recht op gebruik van de handelsnaam, het handelsmerk en de knowhow (waaronder overige intellectuele eigendomsrechten en informatie over de bedrijfsvoering).

[11] HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329, NJ 2003/31 (Paalman/Lampenier), r.o. 2.6; I.S.J. Houben, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2015/138 (bijgewerkt tot 1 september 2014); De Nederlandse Franchise Code 2016, bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 31311, 165, p. 4 & 5.

[12] Wet franchise van 12 december 2018, https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[13] B. Wessels, ‘Boek 7 (Bijzondere overeenkomsten): op weg naar volwassenheid en op zoek naar samenhang’, NbBW 2003/7-8, p. 97.

[14] Wet franchise van 12 december 2018, p. 5, 18 & 19 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[15] J.H. Kolenbrander, ‘Het wetsvoorstel Wet Franchise in vogelvlucht’, DeClerq 14 januari 2019, https://www.declercq.com/kennisblog/het-wetsvoorstel-wet-franchise-in-vogelvlucht/.

[16] Wet franchise van 12 december 2018, p. 19 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[17] Zie voor verwijzingen naar deze discussie: F.G. Laagland, ‘2.2 Redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW)’, in: S.S.M. Peters (red.), Arbeidsovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer (bijgewerkt tot 1 augustus 2018).

[18] HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1322, NJ 1994/704 (Agfa/Schoolderman), r.o. 3.5.

[19] Wet franchise van 12 december 2018, p. 5, 18 & 19 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[20] Wet franchise van 12 december 2018, p. 19 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[21] Wet franchise van 12 december 2018, p. 17,  (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[22] Wet franchise van 12 december 2018, p. 5 & 20 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[23] Zie art. 6:230e jo. 6:230b, 6:230l, 6:230m jo. 6:230v, 6:234, 7:60 BW, art. 7:502 BW, art. 7:503 BW . Deze precontractuele informatieverplichtingen hebben echter een Europeesrechtelijke afkomst.

[24] I.S.J. Houben, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2015/159 (bijgewerkt tot 1 september 2014).

[25] Zie over de beweegredenen om van een (franchise)overeenkomst een benoemde overeenkomst te maken: I.S.J. Houben, J. Sterk & J.A.J. Devilee, ‘Codificatie of zelfregulering in de

franchisesector?’, MvV 2014, afl. 9, p. 240-250; B. Wessels, ‘Boek 7 (Bijzondere overeenkomsten): op weg naar volwassenheid en op zoek naar samenhang’, NbBW 2013/7-8, p. 94-101; I.S.J. Houben, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2015/33-38 (bijgewerkt tot 1 september 2014).

[26] M. de Koning, ‘Het wetsvoorstel Franchise. Bezint eer ge begint, NJB 2019/201, afl. 4, p. 263-264;  NFV, ‘Reactie wetsvoorstel franchise beschikbaar’, 25 januari 2019.

[27] Zie voor de reacties: https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise/reacties/.

[28] Wet franchise van 12 december 2018, p. 3 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

[29] Wet franchise van 12 december 2018, p. 11 (MvT) https://www.internetconsultatie.nl/wet_franchise.

Previous post

Lunchlezing Iris Palm-Steyerberg

Next post

Smart contracts: een verkenning