1. Inleiding[1]

Als rechtenstudent vliegen je al tijdens de introductie allerlei Nijmeegse juridische studentenorganisaties, zoals SBJS, JFV Nijmegen en NSV Nota Bene om de oren. Maar hoe zitten deze organisaties eigenlijk zélf juridisch in elkaar? Wat zijn de verschillen tussen een stichting en een vereniging? En wat zijn de bevoegdheden van de algemene vergadering en het bestuur eigenlijk? In dit artikel schetsen wij het verenigings- en stichtingenrecht toegespitst op Nijmeegse juridische studentenorganisaties. Wij geven een overzicht van de belangrijkste onderwerpen waar de student mee in aanraking kan komen. In dit eerste deel komen de rechtsvorm en een capita selecta onderwerpen die zien op de organisatie van de Nijmeegse juridische studentenorganisaties aan de orde (o.a. doelomschrijving, lidmaatschap en Algemene vergadering). Alle onderwerpen die betrekking hebben op bestuur en toezicht komen in het volgende deel aan bod, te verschijnen in het volgende nummer van Actioma.

 

  1. Rechtsvorm en vormgeving van juridische studentenorganisaties in Nijmegen

 2.1 Rechtsvorm: verenigingen[2] en stichtingen

De Nijmeegse rechtenstudent heeft de mogelijkheid om, afhankelijk van zijn of haar interesse (en soms studierichting), deel uit te maken van een breed scala aan juridische studentenorganisaties. De Radboud Universiteit heeft op haar site een overzicht geplaatst van alle studieverenigingen van de Radboud Universiteit per faculteit.[3] Voor de Faculteit der Rechtsgeleerdheid staat de volgende lijst op de website:

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Faculteitsvereniging Ondernemingsrecht Rechtsgeleerdheid: NSO Eques

Faculteitsvereniging der Rechtsgeleerdheid: JFV

Faculteitsvereniging der Rechtsgeleerdheid: SBJS

Studievereniging Criminologie en Strafrecht: Dr. Nico Muller

Studievereniging Fiscaal recht: FSV In Fiscalibus

Studievereniging Intellectuele Eigendom en Reclamerecht: V.I.E.R

Studievereniging International and European law: SILA

Studievereniging Notarieel Recht: Nota Bene

Deze lijst klopt overigens niet helemaal: NSO Eques en SBJS zijn stichtingen en geen verenigingen. De Nijmeegse rechtenstudent kan, buiten dit lijstje ook nog met andere juridische studentenorganisaties in aanraking komen, zoals een rechtswinkel en de organisatie achter dit faculteitsblad, welke beide een stichting zijn. Andere organisaties als Rozon (het platform voor rechtswinkels), ELSA Nijmegen, pleitgenootschap Rota Carolina, Semper Lex en Politikon zijn weer in een vereniging gegoten.

De vraag rijst: wat zijn de voornaamste verschillen tussen verenigingen en stichtingen? Een stichting kent geen leden (art. 2:285 lid 1 BW), terwijl een vereniging zich juist kenmerkt door het hebben van leden (art. 2:26 lid 1 BW). Overtreding van dit ‘ledenverbod’ door de stichting kan leiden tot ontbinding van de stichting door de rechtbank (art. 2:21 BW). Het is echter niet helemaal duidelijk wat ‘lidmaatschap’ precies is. In de ene leer betekent het ledenverbod dat naast het bestuur geen ander orgaan aanwezig kan zijn dat het bestuursbeleid op beslissende wijze kan beïnvloeden (dualistische leer). In de andere leer is het typologische begrip ‘lidmaatschap’ (omschreven als band die in vrijheid kan worden aangegaan en steeds door opzegging kan worden beëindigd) het uitgangspunt voor het zijn van lid en niet zozeer het ‘invloed uitoefenen’ (typologische leer). In de typologische leer is dan ook geen sprake van strijd met het ledenverbod als de stichting organen heeft die invloed uitoefenen op de gang van zaken binnen de stichting.[4] Het mag alleen niet zo zijn dat de totale optelsom van die bevoegdheden gelijk is aan de macht van een algemene vergadering in een vereniging of een aandeelhoudersvergadering.[5] De lagere rechtspraak lijkt zich naar de typologische opvatting te bewegen. Zo oordeelde de voorzieningenrechter Rotterdam bijvoorbeeld, in een relatief recente zaak over het ledenverbod, dat zeggenschapsrechten (zoals benoeming en ontslag) die aan een of meer personen zijn toegekend geen ‘lidmaatschap’ impliceren.[6] Binnen de Nijmeegse juridische stichtingen zien wij alleen dat soms bevoegdheden worden toegekend aan een raad van toezicht. Kwalificeert een raad van toezicht met ruime bevoegdheden niet als een algemene vergadering? Bij onder andere NSO Eques[7] en Actioma[8] worden bestuursleden, op voordracht van het bestuur, benoemd door de raad van toezicht. Bij SBJS benoemt het bestuur de bestuursleden wel zelf, maar behoeft het instemming van de raad van toezicht.[9] Bij Actioma heeft de raad van toezicht daarnaast in de statuten de bevoegdheid om, indien niet binnen drie maanden een nieuw bestuurslid wordt voorgedragen bij het openstaan van een vacature, zelf vrij (dus zonder voordracht) over te gaan tot benoeming van bestuurders.[10] In de literatuur wordt aangenomen dat, zolang de raad van toezicht geen bevoegdheden heeft waarmee hij kan ingrijpen in ‘het wezen van de stichting’ of waarmee hij de bestuursautonomie aantast, hij niet kan acteren als een algemene vergadering.[11] De gedachte is dat het per definitie niet past bij de taakomschrijving van een raad van toezicht om dergelijke bevoegdheden te hebben en dat daarom over het algemeen gezegd kan worden dat het instellen van een raad van toezicht niet in strijd komt met het ledenverbod.[12] Die gedachte wordt onzes inziens nog eens versterkt doordat de raad van toezicht ook bij de stichting een wettelijke grondslag krijgt, indien het Wetsvoorstel bestuur en toezicht[13] doorgang vindt. Hoe het ledenverbod in de praktijk bij bijvoorbeeld een rechtswinkel wordt nageleefd, is moeilijk vast te stellen. Wij denken wel dat, gelet op het bovenstaande, niet snel sprake zal zijn van strijd met het ledenverbod.

Het kenmerkende verschil leidt tot andere verschillen tussen de stichting en de vereniging. Wij bespreken twee voorbeelden. Ten eerste kunnen bij een vereniging de statuten slechts worden gewijzigd en kan de vereniging slechts worden ontbonden door een besluit van de algemene vergadering (art. 2:42 lid 4 jo. lid 1 BW). De wijze waarop de statuten van de stichting gewijzigd kunnen worden is afhankelijk van haar statuten (vgl. art. 2:293 BW); de stichting kent geen algemene ledenvergadering. Dit zorgt voor enige variatie: de statuten van Actioma en NSO Eques worden gewijzigd door het bestuur na toestemming van de raad van toezicht,[14] de statuten van SBJS worden gewijzigd door een meerderheidsbesluit in een gezamenlijke vergadering tussen de raad van toezicht en het bestuur,[15] terwijl de statuten van een rechtswinkel vaak (bij ontbreken van een raad van toezicht) door alleen een besluit van het bestuur worden gewijzigd.[16] Op grond van de wet kunnen de statuten nog worden gewijzigd door de rechtbank (art. 2:294 BW).

Ten tweede moet het bestuur van een vereniging op de algemene vergadering aan de algemene vergadering binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een bestuursverslag uitbrengen aan de algemene vergadering over de gang van zaken in de vereniging en het gevoerde beleid (art. 2:48 lid 1 BW). Het gevoerde beleid moet goedgekeurd zijn door een kascommissie (art. 2:48 lid 2 BW).[17] Bij stichtingen is een jaarverslag slechts verplicht indien de stichting ook een onderneming drijft (art. 2:300 BW), wat binnen de Nijmeegse juridische studentenorganisaties naar ons idee niet het geval is. In de statuten van NSO Eques, Actioma en SBJS staat wel een verplichting om een (financieel) jaarverslag op te maken en te laten goedkeuren door de raad van toezicht.[18] Op deze manier is een intern controlemechanisme ingebouwd.

In de volgende paragraaf gaan we nader in op de oprichting en vormgeving van studentenorganisaties.

 

2.2. Statutaire regelingen

Verenigingen en stichtingen worden opgericht bij een notariële akte, zo blijkt uit art. 2:26/2:27 BW respectievelijk 2:286 BW. De oprichtingsakte bevat de statuten en in ieder geval: de naam van de organisatie, de gemeente waar zij haar zetel heeft, het doel, de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders en de wijze van bijeenroeping van de algemene vergadering (bij de vereniging). Hieronder geven wij een capita selecta onderwerpen die geregeld zijn in de statuten. Het bestuur en toezicht komt in een vervolgartikel aan bod.

De doelomschrijving

Iedere studentenorganisatie heeft een doelomschrijving. Het doel is het beoogde terrein van werkzaamheden van de studentenorganisatie.[19] De doelomschrijvingen variëren logischerwijs en hebben, onder studieverenigingen, niet telkens hetzelfde stramien: NSV Nota Bene stelt zich bijvoorbeeld ten doel ‘het behartigen van belangen van studenten van de studierichting Notarieel recht aan de Radboud Universiteit’, terwijl V.I.E.R. zich ten doel stelt ‘het ontplooien van activiteiten op het gebied van Intellectuele Eigendom en Reclamerecht’.[20] ELSA Nijmegen heeft in de doelomschrijving staan dat zij zich het bevorderen van wederzijds begrip en samenwerking tussen rechtsgeleerde studenten van verschillende Europese landen ten doel stelt ‘één en ander in overeenstemming met de doelstellingen van de the European Law Students Association (ELSA International, middels ELSA The Netherlands), gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Brussel, België’.[21] ELSA Nijmegen is zelf weer lid van ELSA The Netherlands en  heeft dat laten terugkomen in haar doelomschrijving.[22] ELSA The Netherlands stelt in haar statuten als eis dat de statuten van de lokale ELSA-verenigingen (oftewel, haar leden) niet in strijd zijn met de statuten van ELSA The Netherlands.[23] ELSA is een goed voorbeeld van hoe verenigingen op basis van statuten met elkaar verweven kunnen worden.[24]

De doelomschrijving heeft vooral een normatief karakter.[25] Vaak staat in de doelomschrijving in ieder geval dat het doel niet is het maken van winst of doen van uitkeringen.[26] Een rechtshandeling in strijd met het doel is vernietigbaar, mits de wederpartij wist of had kunnen weten dat de doelomschrijving werd overschreden (art. 2:7 BW). Alleen de rechtspersoon kan een beroep doen op art. 2:7 BW en het blijkt in de praktijk lastig om een geslaagd beroep te doen op dit artikel. Daarnaast is het bestuur jegens de rechtspersoon intern aansprakelijk voor schade die is geleden door de doeloverschrijdende rechtshandeling (art. 2:9 BW).[27] Op deze manier heeft de algemene vergadering in ieder geval een pressiemiddel om ervoor te zorgen dat het bestuur de belangen van haar leden in acht neemt (statuten Nota Bene), de gewenste activiteiten ontplooit (statuten V.I.E.R.) of zich richt naar de doelstellingen van een overkoepelende organisatie (statuten ELSA Nijmegen).

De doelomschrijving hangt met nog iets anders samen: op grond van de verenigingsvrijheid mogen personen in verband met het doel van de vereniging worden uitgesloten van de vereniging.[28] NSV Nota Bene mag studenten uitsluiten die geen notarieel recht studeren aan de Radboud Universiteit, maar mag geen studenten uitsluiten vanwege hun geslacht, terwijl een mannendispuut, vanwege de samenhang met de doelstelling, wel vrouwen mag uitsluiten.[29]

Lidmaatschap

Hoe kan iemand lid worden van een vereniging? Zoals hierboven beschreven kan de vereniging eisen stellen aan de groep personen die lid kan worden. Over toelating beslist het bestuur.[30] Indien iemand is toegelaten tot de vereniging kan, met name bij de verenigingen die zich (ook) richten op eerstejaarsstudenten, een bijzonder soort problematiek spelen: sommige studenten zijn nog minderjarig en dus (bij het ontbreken van toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger) handelingsonbekwaam (art. 1:234 BW). Het aangaan van het lidmaatschap door een minderjarige kan door zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger vernietigd worden (art. 3:32 BW), tenzij de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger tot het aangaan van lidmaatschap van de studievereniging aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend (art. 1:234 BW). Het moet dan gaan om een rechtshandeling ten aanzien waarvan het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarige deze zelfstandig verrichten.[31] Wij denken in ieder geval dat het wel ‘normaal’ is dat een student lid is van een studievereniging. Het zou betwijfeld kunnen worden of het ‘normaal’ is dat minderjarigen lid zijn van verenigingen die minder studie gerelateerde en meer alcohol gerelateerde (informele) activiteiten organiseren.

Is het lidmaatschap voor ieder lid hetzelfde? Binnen sommige verenigingen wordt onderscheid gemaakt tussen gewone leden en buitengewone leden/ereleden. De wet regelt hierover niets en de vereniging kan de verhouding met deze ‘andere leden’ zo vormgeven als zij wil. Buitengewone leden kunnen bijvoorbeeld vrijgesteld worden van contributie. Pas indien aan hen de bevoegdheden worden toegekend die normale leden ook toekomen (bijvoorbeeld stemmen op de algemene vergadering) zijn zij leden in de zin van Boek 2 BW.[32]

Welke verplichtingen kunnen aan het lidmaatschap worden verbonden? Aan het lidmaatschap kunnen bij of krachtens statuten verplichtingen worden verbonden (art. 2:34a BW). De meest voor de hand liggende verplichting voor leden op grond van de statuten is het betalen van contributie. In de statuten wordt vaak de constructie gebruikt dat leden gehouden zijn tot het betalen van contributie, maar dat de hoogte daarvan door de algemene vergadering jaarlijks zal worden vastgesteld. Op die manier kan de contributie ieder jaar opnieuw worden vastgesteld. Dit kan eventueel nader uitgewerkt worden in een huishoudelijk reglement, zolang de aard van de verplichting maar uit de statuten voortvloeit.[33] Kan bij de vaststelling van de hoogte van de contributie door de algemene vergadering ook een boete worden gekoppeld aan het niet tijdig betalen van de contributie? De mogelijkheid tot het opleggen van een geldboete vereist op grond van art. 2:34a BW een statutaire basis, omdat het kan worden gezien als een verbintenis die uit de lidmaatschapsverhouding voortvloeit.[34] Het is nog niet helemaal duidelijk hoe specifiek die statutaire basis moet zijn. Volgens Rensen moet in ieder geval de aard van de verbintenis in de statuten kenbaar zijn.[35] Dit zou kunnen betekenen dat de veelgebruikte constructie voor de jaarlijkse vaststelling van contributie, op basis van een objectieve uitleg van de statuten, onvoldoende statutaire grondslag is om ook jaarlijks een boete vast te stellen op het niet betalen van die contributie. De aard van de verbintenis tot betaling van een boete blijkt onzes inziens niet uit een algemene bepaling op grond waarvan een lid contributie verschuldigd is aan de vereniging. In de rechtspraak wordt art. 2:34a BW echter niet heel strikt uitgelegd. De rechtbank Zutphen oordeelde bijvoorbeeld dat een statutaire bepaling die tuchtrechtspraak regelt voldoende grondslag geeft om een boete aan een lid op te leggen.[36] De soep wordt dus waarschijnlijk niet zo heet gegeten.

Tot slot: hoe eindigt het lidmaatschap? Het lidmaatschap eindigt door overlijden, opzegging door het lid, opzegging door de vereniging of door ontzetting (art. 2:35 BW). Het lidmaatschap kan door het lid altijd tegen het einde van een boekjaar worden opgezegd en met in achtneming van een opzegtermijn van vier weken of onmiddellijk als redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (art. 2:36 lid 1 BW). De boekjaren van de studieverenigingen in Nijmegen lopen blijkens hun statuten samen met het academisch jaar (1 september tot 31 augustus), welke datum belangrijk is voor de opzegging.[37] De wijze van opzegging moet in ieder geval opvallend zijn vermeld op de hoofdpagina van de website én op bladzijde 1, 2 of 3 van het ledenblad, indien de vereniging gebruik maakt van deze communicatiemiddelen (art. 2:35 lid 6 BW). Wij hebben geconstateerd dat veel Nijmeegse studieverenigingen niet aan beide manieren van communicatie voldoen. De wetgever heeft echter geen sanctie gesteld op het overtreden van deze zorgplicht van de vereniging.

De vereniging kan het lidmaatschap slechts opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, zoals bijvoorbeeld het niet voldoen aan contributieverplichtingen,[38] of als het redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (art. 2:35 lid 2 BW). De vereniging kan het lidmaatschap ook opzeggen als een lid is opgehouden te voldoen aan de eisen voor lidmaatschap, zoals in de statuten gesteld, bijvoorbeeld het niet meer zijn van rechtenstudent aan de Radboud Universiteit. Ontzetting (royement) uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd handelt met statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt (art. 2:35 lid 3 BW) en heeft een meer disciplinair karakter. Bij ontzetting is er een beroepsmogelijkheid voor het lid bij de algemene vergadering (art. 2:35 lid 4 BW), terwijl opzegging alleen via art. 2:15 BW aangevochten kan worden.

De algemene vergadering

Ten minste één keer per jaar moet een algemene vergadering worden gehouden (art. 2:48 BW) die door het bestuur bijeen is geroepen (art. 2:41 BW). Indien 1/10e deel van het ledenbestand om een algemene vergadering verzoekt, moet het bestuur binnen veertien dagen overgaan tot oproeping. Gebeurt dit niet, dan kunnen de leden zelf tot bijeenroeping  overgaan (2:41 lid 2 en lid 3 BW). Hoewel de wet geen termijn geeft voor oproeping, lijkt onder de Nijmeegse juridische studentenverenigingen een oproeptermijn van 7 dagen gebruikelijk.[39] Oproeping kan (mits niet uitdrukkelijk uitgesloten in de statuten) via e-mail, indien het lid met die wijze van oproeping heeft ingestemd (art. 2:41 lid 5), anders dient de oproeping schriftelijk per post te worden gedaan aan het lid dat niet heeft ingestemd.

Bij een vereniging behoeven onderwerpen waarover in de vergadering wordt besloten niet te worden geagendeerd, tenzij de statuten dit voorschrijven.[40] Dat is in de statuten van de Nijmeegse juridische studentenverengingen, voor zover wij weten, niet het geval en dus kunnen leden in beginsel[41] over ieder onderwerp besluiten. Een vóór de vergadering geagendeerd punt kan tot de algemene vergadering plaatsvindt alleen door de bijeenroeper van de agenda worden gehaald en tijdens de algemene vergadering alleen door de algemene vergadering.[42]

De algemene vergadering beslist bij (soms gekwalificeerde) meerderheid van stemmen. Ieder lid heeft één stem, maar de statuten kunnen aan bepaalde leden meer dan één stem toekennen (art. 2:38 lid 1 BW). Tenzij de statuten anders bepalen is het oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming beslissend (art. 2:13 lid 3 BW). Indien de voorzitter een telfout maakt waardoor negatief wordt beslist (terwijl er meer stemmen vóór dan tegen waren) dan geldt dit als een genomen afwijzend besluit en speelt de latere constatering dat er toch een meerderheid was geen enkele rol. De juistheid van het oordeel van de voorzitter kan onmiddellijk na het uitspreken daarvan worden betwist (art. 2:13 lid 4 BW).

Commissies

De onderwerpen ‘leden’ en ‘de algemene vergadering’ hebben uitsluitend betrekking op verenigingen. Tot slot nog een onderwerp dat betrekking heeft op zowel de stichting als de vereniging: commissies. Is een commissie, net als het bestuur (en de algemene vergadering bij een vereniging) een orgaan van de rechtspersoon? Dit is relevant in verband met art. 2:14-2:16 BW die de nietigheid/vernietigbaarheid van besluit van organen van een rechtspersoon regelen. Het is niet duidelijk wat precies de reikwijdte is van het begrip ‘orgaan’.[43] Een orgaan is een instantie die krachtens de regels, die de inrichting van de rechtspersoon normeren, rechtshandelingen verricht die aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.[44] Onzes inziens moet snel worden aangenomen dat, indien de commissie een grondslag heeft in de statuten of het huishoudelijk reglement, de commissie een orgaan van de rechtspersoon is. Dat betekent dat besluiten van bijvoorbeeld een activiteitencommissie of een reiscommissie nietig/vernietigbaar kunnen zijn op grond van art. 2:14-2:16 BW.[45]

De wet geeft, op één uitzondering na, geen specifieke regels voor commissies. In art. 2:48 lid 2 BW is voor verenigingen bepaald dat de algemene vergadering een kascommissie moet benoemen, indien de vereniging geen raad van commissarissen heeft en geen accountantsverklaring is overlegd (artikel 2:48 lid 2 BW). Deze commissie is belast met het onderzoek naar de jaarrekening en brengt aan de algemene vergadering verslag van haar bevindingen uit.

Wat staat er in de statuten van de Nijmeegse juridische studentenorganisaties? De statuten van de verenigingen ELSA Nijmegen en V.I.E.R. bepalen dat het bestuur bevoegd is onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde onderdelen van zijn taak te doen uitvoeren door commissies die door het bestuur worden benoemd.[46] De statuten van de stichting NSO Eques hebben het over teammembers. De teammembers van de stichting verrichten werkzaamheden op vrijwillige basis. Het bestuur besluit over onkostenvergoeding. Het aanstellen van teammembers is een taak van het bestuur. Het schorsen en ontslaan van teammembers geschiedt door het bestuur.[47]

 

In het volgende deel, te verschijnen in de eerstvolgende editie van Actioma, bespreken wij de onderwerpen bestuur en toezicht bij de Nijmeegse juridische studentenorganisaties. Deel 2 verschijnt natuurlijk ook weer op de website van NSO Eques!

 

[1] Voor dit onderzoek hebben wij de statuten van Nijmeegse juridische studentenorganisaties NSV Nota Bene, V.I.E.R., ELSA Nijmegen, NSO Eques, Actioma, SBJS en Stichting Rechtswinkel Gennep bestudeerd.

[2] Wij laten de informele vereniging, waarbij het bestuur hoofdelijk aansprakelijk is voor een rechtshandeling waarvoor hij de vereniging verbindt (art. 2:29 lid 2 BW), buiten beschouwing. Voor zover wij weten zijn alle juridische studentenorganisaties in Nijmegen bij notariële akte opgericht. Overigens kent Nijmegen soms wel informele verenigingen, bijvoorbeeld NSTTV Akris, de studententafeltennisvereniging die in 1967 is opgericht en pas sinds 2016 notarieel vastgelegde statuten kent. Wij beperken ons in dit artikel tot de juridische studentenorganisaties.

[3] http://www.ru.nl/studenten/student-life/studentenleven/studentenorganisaties/studieverenigingen/.

[4] Asser/Rensen 2-III* 2012/326. Van der Grinten en Maeijer waren in voorgaande drukken, anders dan Rensen, voorstander van de typologische benadering.

[5] G.J.C. Rensen, SDU Commentaar artikel 2:285, laatst bijgewerkt 17 maart 2017.

[6] Rechtbank Rotterdam 13 juli 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX3840.

[7] Art. 5.2 Statuten NSO Eques.

[8] Art. 4.3 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad.

[9] Art. 4.3 Statuten SBJS.

[10] Art. 4.3 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad.

[11] M.J. Van Uchelen-Schipper, ‘Rechtskenmerken van de stichting. Wanneer is sprake van spanning met het ledenverbod?’, WPNR 2014/7041. B. Kemp & K. Schwarz, ‘Het ledenverbod, de governance van stichtingen en het wetsvoorstel ‘Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting’, Ondernemingsrecht 2013/120 nemen wel sneller aan dat het ledenverbod door een raad van toezicht kan worden overtreden. Wij denken echter dat overtreding van het ledenverbod terughoudend moet worden aangenomen.

[12] Idem.

[13] Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 2.

[14] Art. 15 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad respectievelijk art. 16 Statuten NSO Eques.

[15] Art. 12 Statuten SBJS.

[16] Bijvoorbeeld art. 16 Statuten Stichting rechtswinkel Gennep.

[17] Deze goedkeuring door de kascommissie geldt niet indien de vereniging een raad van commissarissen heeft.

[18] Art. 11 Statuten NSO Eques, art. 13 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad, art. 10 Statuten SBJS.

[19] Asser/Rensen 2-III* 2012/37.

[20] Art. 2 Statuten V.I.E.R. en art. 2 Statuten NSV Nota Bene.

[21] Art. 2 Statuten ELSA Nijmegen.

[22] Naar Nederlands recht staat een rechtspersoon, wat het vermogensrecht betreft, gelijk met een natuurlijk persoon (art. 2:5 BW). Een rechtspersoon kan derhalve lid zijn van een vereniging. Een rechtspersoon kan zelfs bestuurder zijn van een andere rechtspersoon.

[23] Art. 3.2 Statuten ELSA The Netherlands.

[24] Een dergelijke structuur is overigens niet hetzelfde als een afdelingenstructuur in de zin van art. 2:41a BW, nu de lokale ELSA verenigingen zelfstandige rechtspersonen zijn. Op grond van art. 2:41a BW kan voor een organisatie als ELSA, met een overkoepelende ELSA The Netherlands en allemaal lokale ELSA-verenigingen, ook een structuur worden opgezet waarbij er één rechtspersoon is en verder alleen afdelingen (die wel een eigen bestuur en algemene vergadering hebben). Vervolgens kan de verhouding tussen de afdelingen en geregeld worden in een afdelingsreglement. Zie voor verder hierover Asser/Rensen 2-III* 2012/186-194.

[25] Asser/Rensen 2-III* 2012/37.

[26] De vereniging en stichting kennen een uitkeringsverbod (art. 2:26 lid 3 BW respectievelijk art. 2:285 lid 3 BW). Strijd met het uitkeringsverbod kan leiden tot ontbinding van de rechtspersoon (art. 2:21 lid 3 BW).

[27] Vgl. HR 20 november 2002, NJ 2003/455 (Berghuizer Papierfabriek).

[28] Vgl. CGB 21 december 2006, oordeel 2006-258.

[29] Zie A.B. Terlouw, ‘Onverenigbaar met de verenigingsvrijheid’, TvCR oktober 2010, p. 443-448.

[30] Art. 2:33 BW. In de statuten kan anders bepaald zijn en bij niet-toelating kan de algemene vergadering alsnog besluiten tot toelating.

[31] Vgl. Asser/Rensen 2-III* 2012/100. Over de uitoefening van stemrecht voor minderjarigen regelen de statuten van de Nijmeegse verenigingen overigens niets, waardoor minderjarigen gewoon mogen stemmen..

[32] G.J.C. Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders (diss. Nijmegen), Kluwer: Deventer 2005, p. 21.

[33] Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:120, JOR 2015/130 m.nt. Rensen.

[34] Rensen 2005, p. 286.

[35] Zie de noot van G.J.C. Rensen onder Gerechtshof Leeuwarden 22 augustus 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB2227, JOR 2007/231.

[36] Rb. Zuthpen 3 februari 2010, ECLI:NL:RBZUT:BL1126, JIN 2010/188. ‘Aldus is voldaan aan het bepaalde in artikel 2:34a BW. Niet valt in te zien waarom de in diezelfde statuten verankerde regeling van tuchtrechtspraak in de weg zou staan aan het instellen van alternatieve (zoals door de NVM aangeduid: verenigingsrechtelijke) sancties op overtreding van (mogelijk) dezelfde regels.

[37] Dit is overigens niet het geval voor alle studentenorganisaties. Het boekjaar van NSO Eques loopt van 1 januari tot en met 31 december, zie art. 11 Statuten NSO Eques.

[38] Bijvoorbeeld art. 3.4 Statuten NSV Nota Bene.

[39] Zie bijvoorbeeld art. 13.5 Statuten V.I.E.R. en art. 8.2 Statuten NSV Nota Bene. Overigens geldt voor een algemene vergadering waarin een voorstel tot statutenwijziging of ontbinding wordt geagendeerd wel een 7 dagen termijn van oproeping (vgl. art. 2:42 BW).

[40] Hierop geldt een uitzondering bij statutenwijziging of ontbinding, tenzij alle leden aanwezig zijn (art. 2:42 BW). Verschillende studentenverenigingen, bijvoorbeeld ELSA Nijmegen, hebben dit in hun statuten uit de overgenomen (vgl. art. 18.8 Statuten ELSA Nijmegen).

[41] Met uitzondering van statutenwijziging en ontbinding.

[42] Asser/Rensen 2-III* 2012/119.

[43] Asser/Maeijer & Kroeze 2-1* 2015/186.

[44] HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5779, JOR 2000/145 (Geestelijk leider) m.nt. J.M. Blanco Fernández.

[45] Zie ook de noot van J.M. Blanco Fernández onder HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5779, JOR 2000/145 (Geestelijk leider).

[46] Art. 12.4 Statuten ELSA Nijmegen; art. 11 lid 4 Statuten V.I.E.R.

[47] Artikel 6.2 Statuten NSO Eques.

Previous post

De Verdieping: Ondernemingsrecht

Next post

Bestuursinteresselunch