1. Inleiding[1]

In het eerste deel van dit tweeluik over Nijmeegse juridische studentenorganisaties[2] is besproken dat Nijmeegse studentenorganisaties in de rechtsvorm van een vereniging of stichting zijn gegoten, wat de verschillen tussen deze twee rechtspersonen zijn en dat Boek 2 BW en de statuten de leidraad vormen voor de inrichting en organisatie van de Nijmeegse juridische stichtingen en verenigingen. In dit tweede deel staat de rol van bestuurders centraal.

Een groot deel van de Nijmeegse studenten vervult tijdens zijn studietijd een keer de functie van bestuurder van een studentenorganisatie. Deze bestuurders zullen, met name als zij geen studie aan de Rechtenfaculteit volgen of het derdejaarsvak Ondernemingsrecht nog niet hebben gehad, lang niet altijd op de hoogte zijn van alle wettelijke regelingen uit Boek 2 BW waaraan zij gebonden zijn. In dit artikel worden de onderwerpen besproken die betrekking hebben op het bestuur en toezicht van stichtingen en verenigingen, en wordt gekeken naar Nijmeegse juridische studentenorganisaties. Deze onderwerpen betreffen de bestuurstaken, de benoeming en ontslag van het bestuur en de aansprakelijk van bestuurders. Ook komt de rol van het toezichthoudende orgaan, de raad van toezicht, kort aan bod.

 

  1. Bestuurstaken en vertegenwoordiging

De taak van het bestuur is het besturen van de vereniging of de stichting.[3] De bestuursbevoegdheid kan worden beperkt bij de statuten, door bijvoorbeeld bepaalde bestuursbesluiten te onderwerpen aan een goedkeuringsbesluit van een ander orgaan, zoals de algemene ledenvergadering bij de vereniging of indien deze is ingesteld de raad van toezicht. Het valt ons op dat weinig Nijmeegse juridische studentenorganisaties een dergelijke statutaire bepaling bevatten. Zo heeft alleen ELSA Nijmegen in haar statuten opgenomen dat het bestuur goedkeuring behoeft van de algemene vergadering voor besluiten tot onder meer het aangaan van rechtshandelingen en het verrichten van investeringen, een bedrag of waarde van vijfduizend euro (€ 5.000) te boven gaande.[4]

Daarnaast beperkt de wet de bevoegdheid van het bestuur van verenigingen en stichtingen.[5] Slechts indien dit uit de statuten voortvloeit, is het bestuur bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging of stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. De statuten kunnen deze bevoegdheid ook aan beperkingen en voorwaarden binden, zoals goedkeuring van een ander orgaan. Bij de vereniging leidt het ontbreken van een statutaire regeling op dit punt ertoe dat deze bevoegdheid toekomt aan de algemene vergadering (art. 2:40 lid 1 BW). De stichting heeft mogelijk geen ander orgaan die bij het ontbreken van een dergelijke bepaling deze bevoegdheid toekomt (zie punt 3.2). In de statuten van de stichting zullen in dat geval voorzieningen moeten worden opgenomen om te bereiken dat deze rechtshandelingen toch plaats kunnen vinden.[6] Bestudering van de statuten van de Nijmeegse stichtingen leert dat de statuten van Stichting rechtswinkel Gennep helemaal niets over de bevoegdheid van artikel 2:291 lid 2 BW zegt. De statuten van NSO Eques bevatten wel een regeling die het verrichten van bovenstaande handelingen door het bestuur verbiedt,[7] maar de statuten bevatten geen regeling die het aangaan van dergelijke overeenkomsten op een andere manier mogelijk maakt. Mochten deze stichtingen toch tot bovengenoemde handelingen over willen gaan, dan zullen zij hun statuten moeten wijzigen.

De wet koppelt aan de bestuurstaak de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de vereniging en stichting.[8] Hoofdregel is, dat het bestuur de vereniging of stichting vertegenwoordigt, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.[9] De statuten kunnen de bevoegdheid tot vertegenwoordiging bovendien toekennen aan één of meer bestuurders. Zij kunnen bepalen dat een bestuurder één of meer anderen mag vertegenwoordigen.[10] Een dergelijke bepaling komt bij alle onderzochte verenigingen en stichtingen voor.

 

  1. Benoeming en ontslag van het bestuur

 3.1 De vereniging

In beginsel worden bestuursleden van een vereniging door de algemene vergadering benoemd uit de leden. In de statuten van de vereniging kan worden bepaald dat een bestuurder in een vergadering uit een bindende voordracht moet worden benoemd. De benoemende instantie kan dan uitsluitend een stem uitbrengen op de voorgedragen personen. Het bindend karakter van de voordracht wordt ontnomen indien tweederde van de ALV tegen de voorgedragen bestuurders stemt (art. 2:37 lid 4 BW). De bindende voordracht is een benoemingsmogelijkheid waar de verenigingen in Nijmegen veelvuldig gebruik van maken. V.I.E.R.[11] en ELSA Nijmegen[12] hebben in hun statuten een dergelijke bindende voordracht opgenomen. Bij beide verenigingen zijn zowel het bestuur als tien leden bevoegd tot het opmaken van zulk een voordracht. Bij NSV Nota Bene worden volgens de statuten de bestuurders op reguliere manier door de algemene ledenvergadering benoemd.[13] Een bestuurder van een vereniging kan te allen tijde door de instantie die hem heeft benoemd worden geschorst en ontslagen (art. 2:37 lid 6 BW).

3.2 De stichting

Bij stichtingen gaat de benoeming en het ontslag van het bestuur anders. Een stichting heeft geen algemene vergadering en de stichting kent in beginsel maar één orgaan: het bestuur. Hoe wordt in dat geval een bestuurslid benoemd? De statuten van een stichting dienen een regeling te bevatten voor de wijze van benoeming en ontslag van de bestuurders (art. 2:286 lid 4 sub c BW). Dat de benoemingsregelingen van de Nijmeegse studiestichtingen zeer uiteenlopen bleek al uit het eerste deel van dit tweeluik. Zo bepalen de statuten van Stichting Rechtswinkel Gennep dat het bestuur zichzelf aanvult.[14] SBJS, Actioma en NSO Eques hebben een raad van toezicht ingesteld, welke een belangrijke rol speelt bij de benoeming en het ontslag van de bestuurders. SBJS heeft in de statuten een regeling opgenomen die voor de benoeming van een bestuurslid instemming van de raad van toezicht vereist.[15] De bestuursleden van Actioma worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht, waarbij het bestuur de mogelijkheid heeft tot het doen van een niet-bindende voordracht.[16] De statuten van NSO Eques bevatten een vergelijkbare regeling: de bestuurders worden benoemd op voordracht van het bestuur, door de raad van toezicht.[17] De raad van toezicht van NSO Eques is eveneens bevoegd tot schorsing van het bestuur. Een bestuurder van een stichting kan onder bijzondere omstandigheden worden ontslagen door de rechter (art. 2:298 BW).

 

  1. Bestuursaansprakelijkheid

 Een bestuurder kan jegens verschillende partijen aansprakelijk zijn; namelijk jegens de vennootschap, jegens derden en jegens de boedel. Art. 2:9 BW regelt de interne aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen (aansprakelijkheid jegens de vennootschap). Het artikel bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon – in dit geval de vereniging of stichting – is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat elke bestuurder voor het geheel (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schade die de rechtspersoon lijdt ten gevolge van onbehoorlijk bestuur, indien de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.[18] Een individuele bestuurder kan zich disculperen van de hoofdelijke aansprakelijkheid indien hij kan aantonen dat de onbehoorlijke gedraging niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van die gedraging af te wenden (art. 2:9 lid 2 BW). Een onderscheid in aansprakelijkheidsnorm tussen een bezoldigde verenigings- en stichtingsbestuurder (bestuurder die loon ontvangt) en een onbezoldigde bestuurder (bestuurder die zijn werk vrijwillig verricht) wordt thans noch in de wet, noch in de rechtspraak gemaakt.[19] Het Hof Amsterdam oordeelde in 2010 echter wel dat het feit dat werkzaamheden onbezoldigd worden verricht een (voor de bestuurder voordelige) rol kunnen spelen bij de weging van alle omstandigheden van het geval.[20]

Een bestuurder van een vereniging die intern aansprakelijk wordt gesteld kan zich wel verweren door zich te beroepen op een door de algemene ledenvergadering verleende kwijting van interne aansprakelijkheid aan deze bestuurder, de zogeheten decharge. Het bestuur maakt jaarlijks een jaarrekening en een bestuursverslag op, waarin het verantwoording aflegt voor het gevoerde beleid (art. 2:48 lid 1 en 2:49 lid 1 BW). Indien de jaarrekening wordt vastgesteld en het bestuursverslag wordt goedgekeurd, kan de algemene vergadering het besluit tot decharge nemen. De vaststelling van de jaarrekening en de verlening van decharge moeten afzonderlijk ter besluitvorming aan de algemene vergadering worden voorgelegd (art. 2:49 lid 3 BW). Dit geldt ook indien de statuten van een vereniging, zoals die van NSV Nota Bene,[21] ervan uitgaan dat vaststelling van de jaarrekening strekt tot decharge van bestuurders. Dit is een aandachtspunt voor het bestuur. Bij stichtingen is de mogelijkheid tot decharge niet wettelijk geregeld. Aangenomen wordt dat de bevoegdheid tot het verlenen van decharge in de statuten kan worden geregeld.[22] Let wel dat decharge zich in alle gevallen uitsluitend uitstrekt tot wat openbaar is gemaakt in het bestuursverslag, de jaarrekening en wat de algemene vergadering is medegedeeld.[23] Wanneer bijvoorbeeld sprake is van fraude is dit niet aan de stukken te zien, omdat de stukken zijn gemanipuleerd. Het gevolg is dat de bestuurder geen recht kan ontlenen aan de verleende decharge. Naast het feit dat bestuurders aansprakelijk kunnen zijn jegens de vennootschap, kunnen bestuurders van verenigingen en stichtingen ook aansprakelijk gesteld worden voor schade van derden op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Ook hiervoor is nodig dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.[24]

Vervolgens kunnen bestuurders nog aansprakelijk zijn jegens de boedel. De wet bevat thans een bijzondere bepaling omtrent de aansprakelijkheid van bestuurders van een vereniging of stichting met volledige rechtsbevoegdheid in geval van faillissement van de rechtspersoon, indien deze aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen. Deze bepaling geldt voor de zogeheten commerciële vereniging of stichting, maar geen van de onderzochte organisaties zijn als ‘commercieel’ aan te merken. Op grond van deze bepalingen zijn bestuurders hoofdelijk aansprakelijk jegens de failliete boedel voor een tekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:50a en artikel 2:300a BW jo. 2:138/149 BW). Indien het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen tot wet verheven wordt, gaat deze mogelijkheid tot aansprakelijkstelling in geval van faillissement gelden voor bestuurders van alle rechtspersonen. Hieronder vallen dus ook bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen, zoals de Nijmeegse studentenorganisaties. In het voorgestelde art. 2:9c BW geeft het wetsvoorstel een uniforme regeling voor de aansprakelijkstelling van bestuurders door de faillissementscurator. Het voorgestelde art. 2:11c BW verklaart deze regeling van overeenkomstige toepassing op commissarissen.[25] Met dit voorstel komen de bepalingen over aansprakelijkheid bij faillissement in beginsel ook te gelden voor bestuurders en commissarissen van informele verenigingen en van niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Dat laatste is volgens de wetgever van belang, omdat het ook bij die rechtspersonen kan voorkomen dat bestuurders en commissarissen zich schuldig maken aan fraude of andere vormen van ernstig taakverzuim.[26] Het voorgestelde art. 2:11c BW maakt een uitzondering op bovenstaande regeling voor onbezoldigde bestuurders van een niet-commerciële vereniging of stichting en voor onbezoldigde bestuurders van een informele vereniging. Deze uitzondering strekt ertoe om te voorkomen dat vrijwilligers ten onrechte worden weerhouden om zich in te zetten als bestuurder of commissaris van bijvoorbeeld een buurtvereniging of een kleine sportvereniging.[27] Bestuurders van de studieorganisaties die in dit artikel aan bod zijn gekomen, hoeven zich dus geen zorgen te maken.

 

  1. Het toezichthoudend orgaan

 Boek 2 BW geeft thans geen regeling voor de instelling van een toezichthoudend orgaan bij een vereniging of stichting. Toch bleek uit punt 3.2 dat bij de stichtingen NSO Eques, Actioma en SBJS een raad van toezicht aanwezig is.[28] Bij de statuten van de vereniging en stichting kan wel een orgaan worden ingesteld dat tot taak heeft toezicht te houden op het bestuur. Aan dit orgaan kan de naam raad van toezicht of raad van commissarissen worden gegeven. De wet bepaalt wel voor de stichting dat de leden van het toezichthoudend orgaan de jaarrekening medeondertekenen en dat de jaarrekening wordt vastgesteld door “het toezicht houdende orgaan” als de statuten deze bevoegdheid niet aan een ander orgaan toekennen (art. 2:300 lid 3 BW). De statuten zullen derhalve invulling moeten geven aan de taak van een raad van toezicht.[29] Indien het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen wordt ingevoerd, komt in het algemene gedeelte van Boek 2 BW een bepaling over de instelling van een raad van commissarissen/toezicht in art. 2:11 BW. Deze bepaling komt te gelden voor alle genoemde rechtspersonen en dus ook voor de vereniging en de stichting.

 

  1. Slot

 In dit tweeluik zijn een zevental Nijmeegse studentenorganisaties bestudeerd. Deze organisaties zijn in de rechtsvorm van een vereniging of stichting gegoten, welke onder meer van elkaar verschillen door het al dan niet hebben van leden. Titel 1, 3 en 6 van Boek 2 BW vormen het wettelijk kader voor de inrichting van deze organisaties, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen aangaande de statuten en de organen. Boek 2 BW biedt op enkele punten de ruimte om via statutaire bepalingen af te wijken van de wet en de vereniging of stichting naar eigen inzicht in te richten. Het is interessant om te zien dat Nijmeegse juridische studentenorganisaties hier veelvuldig gebruik van maken en daardoor op verschillende vlakken van elkaar afwijken.

 

[1] Voor dit onderzoek hebben wij de in januari 2018 actuele statuten van Nijmeegse juridische studentenorganisaties NSV Nota Bene, V.I.E.R., ELSA Nijmegen, NSO Eques, Actioma, SBJS en Stichting Rechtswinkel Gennep bestudeerd. NSV Nota Bene, V.I.E.R. en ELSA Nijmegen zijn verenigingen. NSO Eques, Actioma, SBJS en Stichting Rechtswinel Gennep zijn stichtingen.

[2] M. Bruggink en R. van Dijken, ‘Het Nijmeegse juridische studentenorganisatierecht geschetst: deel 1’, Actioma 2018/203.

[3] Respectievelijk art. 2:44 lid 1 BW en art. 2:291 lid 1 BW. Het besturen van een stichting of vereniging omvat alle handelingen die bijdragen aan de verwezenlijking van haar statutaire doel. Besturen omvat voorts het leiding geven aan en zorgen voor een goede taakvervulling van de vereniging/stichting, voor haar deelneming aan het maatschappelijk verkeer en voor het functioneren van haar apparaat. Zie voor een uitgebreide toelichting Asser/Rensen 2-III* 2012/125 en 334.

[4] Art. 12 lid 6 Statuten Elsa Nijmegen. Ook het kopen, vervreemden, bezwaren, huren of verhuren van registergoederen behoeft goedkeuring van de algemene vergadering. Evenals het aangaan van overeenkomsten waarbij aan de vereniging een bankkrediet wordt verstrekt, het ter leen opnemen van gelden, het aangaan van dadingen en het sluiten en wijzigen van arbeidsovereenkomsten.

[5] Art. 2:44 lid 2 BW voor de vereniging en art 2:291 lid 2 BW voor de stichting.

[6] Asser/Rensen 2-III* 2012/335.

[7] Art. 8.2 Statuten NSO Eques.

[8] Asser/Rensen 2-III* 2012/130 en 334-335.

[9] Art. 2:44 BW voor de vereniging en art. 2:291 BW voor de stichting.

[10] Art. 2:45 lid 2 BW voor de vereniging en art. 2:292 lid 2 BW voor de stichting.

[11] Art. 8.2 e.v. Statuten V.I.E.R.

[12] Art. 9.3 e.v. Statuten ELSA Nijmegen.

[13] Art. 5.3 Statuten NSV Nota Bene.

[14] Art. 4 Statuten Rechtswinkel Gennep.

[15] Art. 4.3 Statuten SBJS.

[16] Art. 4.3 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad.

[17] Art. 5.2 jo. 5.4 Statuten NSO Eques.

[18] Zonder ernstig verwijt is geen sprake van een onbehoorlijke taakvervulling, HR 29 november 2002, NJ 2003/455 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Of sprake is van een ernstig verwijt moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het begrip ‘ernstig verwijt’ is uitgewerkt in het arrest van HR 10 januari 1997, JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven). Om te bepalen of sprake is van een ernstig verwijt moeten onder meer in acht worden genomen: de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.

[19] Asser/Rensen 2-III* 2012/163.

[20] Hof Amsterdam 21 september 2010, RO 2010/80 (Freule Lauta van Aysma).

[21] Art. 7.5 Statuten NSV Nota Bene.

[22] Bij de onderzochte studentenstichtingen wordt decharge verleend door de raad van toezicht. Art. 11.4 Statuten NSO Eques; art. 10.3 Statuten SBJS; art. 13.5 Statuten Stichting Nijmeegs Juridisch Faculteitsblad.

[23] HR 25 juni 2010, NJ 2010/373 (De Rouw/Dingemans q.q.).

[24] HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:PHR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel), waarover asser/maeijer, van solinge & nieuwe weme2-II* 2009/469; HR 8 december 2006, NJ 2006/659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen); HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen c.s./NOM)

[25] Als het voorgestelde art. 2:11c BW heel letterlijk gelezen wordt, zouden alleen commissarissen aansprakelijk gesteld kunnen worden. Onzes inziens worden met het woord ‘commissarissen’ ook leden van de raad van toezicht bedoeld, nu ook het voorgestelde art. 2:9c BW ziet op alle rechtspersonen. Raad van toezicht en raad van commissarissen zijn slechts twee verschillende benamingen voor hetzelfde orgaan, namelijk het toezichthoudende orgaan. De term raad van commissarissen wordt doorgaans bij de nv en bv gebruikt en de term raad van toezicht wordt doorgaans bij non-profitorganisaties in de vorm van een stichting of vereniging gebruikt.

[26] Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 3, p. 7.

[27] Idem.

[28] Artikel 13 en 14 Statuten NSO Eques, artikel 9 Stichting Nijmeegs Juridisich Faculteitsblad en artikel 9 SBJS.

[29] Asser/Rensen 2-III* 2012/344.

Previous post

Gezocht: Team Reis 2018 - 2019

Next post

Dit is het meest recente bericht.