Search
Close this search box.
Search
Close this search box.
Search
Close this search box.

Recht op een betaalrekening: in hoeverre bestaat dit voor ondernemingen?

Auteur:
Sanne Gebben
  1. Inleiding

Wanneer je een bestelling plaatst bij een webwinkel betaal je vaak via een online betaalmethode, zoals iDEAL. Het geld vloeit in dat geval van je eigen betaalrekening naar de bankrekening van de onderneming. Het beschikken over een betaalrekening is dan ook van groot belang om aan het economisch en verkeer te kunnen deelnemen. Dit geldt voor zowel de consument als de onderneming. Op grond van artikel 4:71f van de Wet financieel toezicht (Wft) hebben consumenten die rechtmatig in de Europese Unie verblijven recht op toegang tot een betaalrekening bij een die in Nederland betaalrekeningen aanbiedt. Dit recht is voor ondernemingen als zakelijke gebruikers niet vastgelegd in de wet. Voor ondernemingen is een betaalrekening van belang om hun onderneming te kunnen drijven. Indien de bank de bancaire relatie met een onderneming opzegt, heeft dat als gevolg dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. De vraag rijst dan ook in hoeverre een onderneming recht heeft op een betaalrekening, ondanks dat dit niet wettelijk is vastgelegd.

 

2.  Contractvrijheid en de bancaire zorgplicht

In beginsel geldt contractsvrijheid bij het aangaan van een bancaire relatie. Dit betekent dat het partijen vrij staat om te bepalen met wie zij contracteren en onder welke  voorwaarden. Echter, deze contractsvrijheid wordt begrensd door de bancaire zorgplicht. Het beschikken over een betaalrekening is in de huidige maatschappij noodzakelijk voor zowel natuurlijke personen als rechtspersonen om in volle omvang aan het maatschappelijk verkeer deel te kunnen nemen. [1] In artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) is de bancaire zorgplicht vastgelegd. Deze bijzondere zorgplicht van een bank brengt met zich mee dat zij haar eigen belangen dient af te wegen tegen de belangen van cliënt. [2] Bij deze zorgplicht moet dan ook het belang worden meegewogen dat cliënt heeft bij het beschikken over een betaalrekening om aan het maatschappelijk verkeer deel te kunnen nemen. Deze zorgplicht heeft de bank niet alleen tegenover bestaande cliënten, maar ook tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden. [3] Onder derden vallen natuurlijke personen en ondernemingen die nog geen cliënt zijn van de bank, maar wel een betaalrekening hebben aangevraagd. Hoe ver de bancaire zorgplicht reikt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.  De contractsvrijheid van de bank wordt dan ook begrensd door de bancaire zorgplicht. De Hoge Raad heeft in de ING/Yin Yang c.s. uitspraak op 5 november 2021 benadrukt dat ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten op banken om een betaalrekening aan te bieden op grond van de van de bank. Hier weegt zwaar mee dat het ook voor ondernemingen vrijwel onmogelijk is om zonder betaalrekening aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen en om een bedrijf te exploiteren. [4]

 

3. Cliëntenonderzoek

Een bank met zetel in Nederland dient op grond van artikel 3:10 Wft een adequaat beleid te voeren dat een integere bedrijfsuitoefening waarborgt. Onder deze plicht valt het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme. Een bank dient dan ook een cliëntenonderzoek te verrichten ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme. [5] Voor banken geldt een risicogeoriënteerde benadering. Dit betekent dat banken zelf een inschatting maken van de integriteitsrisico’s die cliënten meebrengen en de noodzakelijke inspanningen en inzet van middelen afstemmen op deze risico’s. [6] Banken moeten meer inspanningen verrichten om integriteitsrisico’s te mitigeren wanneer deze risico’s hoog zijn. Indien de bank niet aan haar verplichting kan voldoen tot het verrichten van een cliëntenonderzoek, dient zij de bancaire relatie niet aan te gaan of te beëindigen volgens artikel 5 lid 1 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het verplichte cliëntenonderzoek beperkt derhalve het recht van een onderneming op een betaalrekening.

 

4. Opzegging van de bancaire relatie

In beginsel mag de bank te allen tijde de bancaire relatie opzeggen op grond van artikel 35 ABV. Verzuim is geen vereiste voor opzegging van deze relatie. Er moet naar de inhoud van de overeenkomst worden gekeken om te bepalen of er een opzeggingsbevoegdheid is overeengekomen en onder welke voorwaarden deze kan worden opgezegd. Vervolgens zal er moeten worden bekeken of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is ex artikel 6:248 BW. [7] Hierbij moeten de belangen van de bank en cliënt tegen elkaar worden afgewogen, waarbij de bancaire zorgplicht veel gewicht in de schaal legt. De rechter laat de maatschappelijke noodzakelijkheid van het hebben van een betaalrekening om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen zwaar meewegen bij de beoordeling of opzegging van de bancaire relatie rechtsgeldig is. [8]

In een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam heeft de rechter geoordeeld dat opzegging rechtsgeldig was, aangezien de bank serieuze aanwijzingen had voor onrechtmatige belangenverstrengeling, misleiding van donateurs en risico’s voor haarzelf en derden. De rechtbank oordeelde in deze uitspraak dat toetsing of de opzegging rechtsgeldig was moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de opzegging, oftewel ex tunc. [9] Indien de bancaire relatie rechtsgeldig is opgezegd, volgt de vraag of de bank kan worden verplicht een nieuwe contractuele relatie aan te gaan met haar cliënt. In het arrest ING/Yin Yang c.s heeft het hof geoordeeld dat deze vraag moet worden beantwoord naar de huidige stand van zaken, daarmee geschiedt deze beoordeling ex nunc. [10] Dit biedt de cliënt extra bescherming. De bank kan worden verplicht opnieuw een bancaire relatie aan te gaan indien een bancaire relatie rechtsgeldig wordt opgezegd wegens integriteitsrisico’s en deze risico’s op een later moment worden gemitigeerd of weggenomen.

 

5. Conclusie

In tegenstelling tot consumenten, is er voor zakelijke gebruikers geen recht op een betaalrekening vastgelegd in de wet. De bancaire zorgplicht brengt echter met zich mee dat de bank in beginsel een betaalrekening moet verstrekken, wegens de maatschappelijke noodzaak van een betaalrekening om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer. In het geval dat er uit cliëntenonderzoek blijkt dat de cliënt integriteitsrisico’s met zich meebrengt, is dit een mogelijke reden om geen betaalrekening te verstrekken dan wel op te zeggen. Op grond van de zwaarwegende bancaire zorgplicht zullen veel ondernemingen in beginsel recht hebben op een betaalrekening waarmee zij aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. Of het recht op een betaalrekening voor ondernemingen ook wettelijk wordt vastgelegd zal in de toekomst moeten blijken.

 

[1] Rb. Amsterdam 4 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8144, r.o. 4.4.

[2] I.S.J. Houben, ‘Contractsvrijheid voor de bank? Opzegging van een betaalrekening’, MvV 2020, nr. 7/8, p. 287-293.

[3] HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536, NJ 1999/285 (MeesPierson/Ten Bos c.s.); HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, r.o. 6.3.2 (Safe Haven).

[4] HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, r.o. 3.2.

[5] Artikel 3 lid 1 Wwft.

[6] Kamerstukken II, 2007-2008, 31 238, nr. 3, p. 6.

[7] I.S.J. Houben, ‘Recht op een bankrekening?’, VA 2009, 6(1), p. 3-22.

[8] Rb. Amsterdam 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5738, r.o. 4.11.

[9] Rb. Amsterdam 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5738, r.o. 4.2.

[10] Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:121, r.o. 3.7; Rb. Amsterdam 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5738, r.o. 4.6.