In 2004 heeft Air France SA middels een openbaar bod op de gewone aandelen van KLM het grootste deel van de aandelen in de Nederlandse NV verkregen. Uiteindelijk houden de resterende minderheidaandeelhouders slechts 0,895% van de gewone aandelen. Naast gewone aandelen kreeg de moedermaatschappij Air France-KLM SA de beschikking over prioriteitsaandelen KLM. In 2008 heeft de vergadering van houders van prioriteitsaandelen besloten 90,7% van de winst van KLM over het voorgaande boekjaar te reserveren ter versterking van de reserves. De overige winst is (na besluit van de gewone AVA) door KLM uitgekeerd aan haar aandeelhouders. De VEB heeft met enkele minderheidsaandeelhouders vervolgens vernietiging van beide besluiten gevorderd op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo. 2:8 BW. Nadat de vordering door de rechtbank en het hof zijn afgewezen, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof niet gecasseerd. Daarop heeft Emarcy BV, een van de minderheidsaandeelhouders, een enquêteprocedure gestart bij de Ondernemingskamer. In dit artikel bespreek ik kort de grondslag voor de vernietiging van besluiten op grond van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en benoem ik enkele verschillen tussen de dagvaardings- en de enquêteprocedure.

Ingevolge art. 2:8 BW dienen zij die krachtens wet of statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken zich onderling te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid (lid 1). Uit deze formulering is in de rechtspraak een zorgplicht van de vennootschap jegens minderheidsaandeelhouders afgeleid. Onder omstandigheden zal de vennootschap bij de totstandkoming van besluiten rekening moeten houden met de belangen van minderheidsaandeelhouders, onder andere bij onevenwichtige verhoudingen in de AVA of bij familievennootschappen. Voor de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de totstandkoming van besluiten waarin diverse belangen spelen, zal veelal het evenredigheidsbeginsel dienstig zijn.. In beginsel zal het eigen belang van aandeelhouders prevaleren boven andere belangen. In een concreet geval kunnen echter andere belangen zwaarder wegen, bijvoorbeeld als de vennootschap bij een hoge dividenduitkering niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.

Welke mogelijkheden hebben minderheidsaandeelhouders die van mening zijn dat hun belangen onevenredig zijn geschaad? Zij kunnen langs twee wegen proberen het besluit vernietigd te krijgen, te weten I) via de dagvaardingsprocedure (een vordering op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo. 2.8 BW) of II) via het enquêterecht. Over het algemeen zal een aandeelhouder meer gebaat zijn bij een enquêteprocedure, omdat de Ondernemingskamer marginaal het beleid van de vennootschap kan toetsen terwijl de rechtbank en het hof in een dagvaardingsprocedure in beginsel het beleid niet kunnen toetsen. Een vordering op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo. 2:8 BW heeft enkel betrekking op de vernietiging van het specifieke besluit. Dat neemt niet weg dat men in de lagere rechtspraak zo nu en dan geneigd is voor een vordering ex art. 2:15 lid 1 sub b BW met een schuin oog te kijken naar besluiten die zijn voortgekomen uit hetzelfde beleid. Deze besluiten kunnen mijns inziens een (beperkte) rol spelen bij een vernietigingsvordering. De Hoge Raad heeft het hof in de KLM-zaak op het punt van de marginale toetsing ook uitdrukkelijk terechtgewezen. Verder is een vernietigingsvordering gebonden aan de termijn van art. 2:15 lid 5 BW, terwijl een enquêteverzoek ruimere mogelijkheden biedt om het beleid op lange termijn te toetsen. Echter, een enquêteprocedure neemt veelal relatief veel tijd in beslag aangezien veelal onderzoek zal worden gedaan naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap.

Gezien het voorafgaande heeft mijns inziens als uitgangspunt te gelden dat minderheidsaandeelhouders meer baat zullen hebben bij een gemotiveerd enquêteverzoek dan een vordering op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW. Het feit dat de Ondernemingskamer  (anders dan de rechter die een vernietigingsvordering beoordeelt) het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap meeneemt bij de beoordeling vormt daartoe een sterke aanwijzing. Dat laat onverlet dat een enquêteverzoek meer voeten in de aarde zal hebben, aangezien een enquête geen betrekking heeft op een enkel bestreden besluit. Ik ben dan ook van mening dat de enquêteprocedure enkel de voorkeur verdient als minderheidsaandeelhouders het standpunt zijn toegedaan dat (conform de daarvoor geldende maatstaf) twijfel bestaat aan een juist beleid dat ten grondslag ligt aan een besluit.

 

Door: Jeroen Meijer

Previous post

Het structuurregime en de 'Hollandconstructie'

Next post

De Nederlandse beursgang van een Amerikaanse reus