Niet eerder is een uitspraak gepubliceerd waarin een stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder is uitgestoten of de vordering is afgewezen[1]

aldus Claartje Bulten in 2011. Daarbij merkt zij op dat de enige procedure waarin uit het incident bleek dat een vordering tot gedwongen overgang van stemrecht aanhangig was, dateerde uit 2008 en slecht zag op de schorsing van het stemrecht van de pandhouder. Thans is daar met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei jl. verandering in gebracht.[2] Deze uitspraak, waarin de gedaagde pandhouder Royal Bank of Scotland (hierna: “RBS”) uiteindelijk aan het laatste eind trok, vormt dan ook het onderwerp van deze Update.

Achtergrond

De feiten, verkort en voor zover relevant, zijn als volgt. Eiser is, net als X, houder van 50% van de aandelen in het kapitaal van de Nederlandse vennootschap Ramblas B.V.[3] Aan Ramblas zijn verschillende vormen van financiering verstrekt, waaronder een lening (de Junior Loan), waartoe een aantal zekerheden zijn gevestigd.[4] Zo hebben eiser en X ieder een pandrecht op hun eigen aandelen in Ramblas (de ‘Ramblas pandrechten’) verstrekt aan RBS als Facility Agent.[5] Bovendien heeft Ramblas een pandrecht op de aandelen in haar dochteronderneming Delma verstrekt aan RBS (het ‘Delma pandrecht’).[6]

In april 2013 zijn beide aandeelhouders benoemd tot bestuurders van Ramblas. Op 17 februari 2014 heeft Ramblas in Spanje haar eigen faillissement aangevraagd, waarop zij bij beschikking van 4 maart 2014 failliet is verklaard. Per brief van 27 februari 2014 heeft RBS verzocht om een ava van Ramblas bijeen te roepen met het ontslag van eiser en X als bestuurders en de benoeming van nieuwe bestuurder(s) als agendapunten. Een maand later reageert eiser, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en bestuurder van Ramblas, op dit verzoek van RBS.[7] In de brief staat dat het niet in het belang van Ramblas wordt geacht om de zittende bestuurders te vervangen en dat RBS de stemrechten niet mag uitoefenen om de zittende bestuurders te vervangen. Per brief van 27 november 2014 heeft RBS wederom verzocht om de ava van Ramblas bijeen te roepen, ditmaal met als agendapunten: (i) de benoeming van R20 Investments One Ltd als Facility Agent (in de plaats van RBS) en (ii) goedkeuring van de overdracht van de stemrechten op de aandelen in Ramblas door RBS aan R20.

De vordering tot gedwongen overgang van stemrecht

Eiser vordert onder meer dat het stemrecht op de aandelen in Ramblas, voor zover dat stemrecht thans toekomt aan RBS als houder van de Ramblas pandrechten, (terug) overgaat op de oorspronkelijke pandgevers van de aandelen in Ramblas. RBS zou het belang van Ramblas zodanig schaden dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat zij het stemrecht blijft uitoefenen. Eiser is, als houder van tenminste één derde van de aandelen in Ramblas, op grond van artikel 2:342 BW bevoegd om van RBS in rechte te vorderen dat het stemrecht op de aandelen terug overgaat op de aandeelhouders.

R20 is een door Tchenguiz beheerde vennootschap waarbij Tchenguiz de (feitelijke) zeggenschap heeft over de Junior Lenders.[8] Eiser stelt dat eerdergenoemde agendapunten tot doel hebben om het enige en zeer waardevolle actief van de gefailleerde vennootschappen aan Ramblas te onttrekken middels een loan-to-own strategie,[9] welke schadelijk is voor Ramblas en er slechts op is gericht om de overwaarde van het actief te verkrijgen terwijl de Junior Lenders geen recht hebben op die overwaarde. Op het door RBS gemotiveerd gevoerde verweer wordt hierna, integraal met de behandeling van de uitspraak, ingegaan.

Wettelijke kader

De vereisten die de wet stelt aan de toewijzing van de vordering tot ontneming van het stemrecht[10] zijn goeddeels dezelfde als die voor de vordering tot uitstoting.[11] De gedragsnorm van deze artikelen valt uiteen in drie elementen: (i) het moet gaan om een gedraging van de aandeelhouder, stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker, (ii) die zodanige schade toebrengt aan het vennootschappelijk belang dat (iii) uitoefening van het stemrecht door de aandeelhouder, pandhouder of vruchtgebruiker in redelijkheid niet kan voortduren.

Schadelijke gedraging

Anders dan eiser bepleitte, oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding is om in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:342 BW éérder aan te nemen dat sprake is van een voor het vennootschappelijk belang schadelijke gedraging dan in het kader van een vordering op de voet van artikel 2:336 BW. Integendeel. Ter voorkoming van de uitholling van een pandrecht als zekerheidsrecht in het financieel verkeer zal het vennootschappelijk belang onder omstandigheden moeten wijken voor het belang van de pandhouder nu het gerechtvaardigd belang van een pandhouder niet steeds parallel loopt met dat van de vennootschap. Dit belang wordt begrensd door misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Terughoudendheid is geboden bij de beoordeling of een gedraging van een pandhouder dusdanige schade toebrengt aan het vennootschappelijk belang dat hem zijn stemrechten moeten worden ontnomen ingevolge artikel 2:342 BW.[12]

Artikel 2:336 BW spreekt van gedragingen verricht ‘in de hoedanigheid van aandeelhouder’. Hoewel in de literatuur over artikel 2:336 BW discussie bestaat over de betekenis van deze zinssnede in de wetsgeschiedenis en ook de rechtspraak op dat punt niet eenduidig is, oordeelt de rechtbank dat het bij de toepassing van artikel 2:342 BW moet gaan om daadwerkelijke gedragingen van de stemgerechtigde pandhouder.[13]

Bijzondere omstandigheid: faillissement van Rambla

Van bijzonder belang is het gegeven dat Ramblas in staat van faillissement verkeert, waardoor het vennootschappelijk belang van Ramblas moet worden bezien in het licht van haar faillissement. De rechtbank overweegt, mijns inziens juist, dat daar

waar in een ‘going concern’ situatie de continuïteit van de (onderneming van de) vennootschap het uitgangspunt moet zijn, […] dat in een faillissementssituatie niet langer het geval [is]. In de faillissementssituatie gaat het immers primair over de afwikkeling van het faillissement en de voldoening van de vorderingen van schuldeisers, waaronder die van de Junior Lenders. Daar [..] maakt [..] het uitwinnen van de verstrekte zekerheden [onderdeel van uit]. Uitwinning van die zekerheden (en gedragingen van de pandhouder die daarmee in verband staan) kunnen slechts dan tot toewijzing van een vordering tot overdracht van het stemrecht op de voet van artikel 2:342 BW leiden, indien de pandhouder haar bevoegdheden misbruikt.”[14]

Wat betreft de door RBS beoogde benoeming van het bestuur van Ramblas is van belang dat eiser het faillissement van Ramblas in Spanje heeft aangevraagd zonder zijn medebestuurder of de ava van Ramblas daarover in te lichten, met als kennelijk doel om de executie van de pandrechten door de Junior Lenders te frustreren. De Junior Lenders wensten onder die omstandigheden een onafhankelijk bestuurder te (laten) benoemen teneinde hun verhaalspositie te beschermen.[15]

Onttrekken actief

Ten aanzien van de stelling van eiser dat de agendapunten tot doel zouden hebben om het enige en zeer waardevolle actief van de gefailleerde vennootschappen te onttrekken, oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken hoe R20 invloed zou kunnen uitoefenen op de wijze waarop het actief te gelde wordt gemaakt nu de uitwinning onder toezicht van de Spaanse curator zal plaatsvinden. De uitwinning is daarmee tevens met voldoende waarborgen omkleed.[16]

Slotoverweging

Met deze uitspraak is er voor het eerst door een rechter over een vordering tot gedwongen overgang van stemrecht ex artikel 2:342 BW beslist. De rechtbank heeft daarin aansluiting gezocht bij de heersende opvatting in de literatuur aangaande de vereisten voor toewijzing van deze vordering en de inkleuring daarvan.

De omstandigheid dat de vennootschap die de met pandrecht bezwaarde aandelen heeft uitgegeven in staat van faillissement is verklaard, is cruciaal. Door het faillissement verschuift het uitgangspunt van het vennootschappelijk belang, in solvabele tijden vormgegeven door de continuïteit van de onderneming, naar afwikkeling van het faillissement en de voldoening van de vorderingen van schuldeisers. Ik meen dat aan de voorkoming van uitholling van zekerheidsrechten groot gewicht moet worden toegekend, in het algemeen, maar des te meer in situaties waar sprake is van insolvabiliteit (zoals de onderhavige). Het faillissement beïnvloedt de inkleuring van het vennootschappelijk belang, de schade aan dat belang, en de mate waarin een pandhouder in de uitoefening van zijn stemrecht kan worden begrensd. Deze verschuiving van het uitgangspunt van het vennootschappelijk belang zal eerder regel dan uitzondering zijn in situaties waarin een vordering ex artikel 2:342 BW wordt ingesteld. Immers, de situatie waarin de pandhouder gebruik maakt van zijn stemrecht op de aan hem verpande aandelen terwijl dit niet samenvalt met insolvabiliteit van de pandgever, zal waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering aan de orde zijn.

 

[1] C.D.J. Bulten, De geschillenregeling ten gronde (Serie Van der Heijden Instituut, deel 108), Deventer: Kluwer 2011.

[2] Rb. Amsterdam, 4 mei 2016, ECLI:NL:GBAMS:2016:5819 (RBS). De uitspraak is inmiddels (sinds 1 oktober) ook verwerkt in R.A. Wolf, in: Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:198, aant. 14.

[3] Een schematische weergave van de structuur is te vinden in r.o. 2.2.

[4] De Junior Loan is een lening waarbij de als onderpand fungerende activa zijn bezwaard met een zekerheidsrecht dat lager in rang is dan eerder gevestigde zekerheidsrechten op dezelfde activa. Bij executie van de bezwaarde activa hebben de Junior Lenders dan ook een lagere prioriteit bij uitdeling van de executieopbrengsten.

[5] De eerdergenoemde lening is een syndicaat lening waarbij RBS als Facility Agent (vertegenwoordiger) fungeert. Een syndicaatlening is een lening gefacilieerd door meerdere financiers waarbij de geldleners middels een parallelle schuld structuur overeenkomen dat ieder kredietnemer aan de pandhouder (dus aan RBS) een zelfstandige schuld heeft ter grootte van het bedrag dat Ramblas aan de Junior Lenders is verschuldigd.

[6] Ramblas houdt 100% van de aandelen in haar dochter Delma.

[7] Per brief van 27 maart 2014.

[8] Zie voetnoten 4 en 5.

[9] Hierbij kopen investeerders gesecureerde leningen op, veelal tegen disproportioneel laag tarief, in noodlijdende ondernemingen met als doel eigenaar te worden van het onderpand.

[10] Artikel 2:342 BW.

[11] Artikel 2:336 BW.

[12] R.o. 4.5.

[13] R.o. 4.6.

[14] R.o. 4.9. Onderstreping SB.

[15] R.o. 4.9.4.

[16] R.o. 4.9.6.

Previous post

Eques naar Den Haag: Pels Rijcken en Bird & Bird

Next post

Update: de duale structuur van Unilever