Onze minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, heeft wederom een wijziging van de Wet op het Financieel Toezicht (hierna: Wft) voorgesteld. Het is tijd om tuchtrecht in de bancaire sector in te voeren en voor een fikse uitbreiding van de eed of belofte, aldus de minister. De financiële sector, en met name de bancaire sector, staat in de afgelopen jaren in een kwaad daglicht. Gelet op de grote belangen in de samenleving en de grote negatieve gevolgen is dit alleszins begrijpelijk. De onvrede over financiële schandalen heeft ongekend veel nieuwe wet- en regelgeving met zich meegebracht, waarvan wellicht dit wetsvoorstel de jongste telg wordt.

Wat houdt het wetsvoorstel nu eigenlijk in? En is dit wetsvoorstel wel zo noodzakelijk en efficiënt als het lijkt? De kern van het wetsvoorstel is eenvoudig, namelijk de invoering van een tuchtrechtelijke regeling in de bancaire sector en de uitbreiding van het aantal personen dat onder de eed en belofte valt. Deze eenvoud zorgt er tot op heden nog iet voor dat iedereen staat te springen om de invoering ervan. Zo heeft de Raad van State negatief geadviseerd en heeft de VVD zich openlijk tegen het voorstel gekeerd.

Het wetsvoorstel voegt het tuchtrecht toe aan het derde hoofdstuk van de Wft.[1] Dit hoofdstuk valt onder het domein en het toezicht van De Nederlandse Bank (hierna: DNB) en daarmee wordt in het voorstel het tuchtrecht onder het prudentieel toezicht van DNB geschaard.

Tuchtrecht in de bancaire sector

Aanpakken van bankiers die onnodig hoge risico’s nemen of er zelfs frauduleuze praktijken op na houden, klinkt uiteraard wenselijk. Het invoeren van tuchtrecht in de bancaire sector komt niet uit het niets, het komt voort uit het verzoek van de Nederlandse Vereniging van Banken tot ondersteuning en uitbreiding van de inspanningen vanuit de sector zelf om tuchtrecht in te voeren. De Raad van State heeft echter geadviseerd dat een wettelijke verankering  wellicht de kennis van de sectorspecifieke normen en waarden mist, die een bankeigen tuchtrecht wel heeft.[2]

Tevens voorziet het wetsvoorstel in een verplichting voor de banken om een tuchtrecht in te voeren dat voldoet aan bepaalde voorwaarden. Het betreft derhalve een privaatrechtelijke regeling, die haar grondslag vindt in de arbeidsrelatie tussen de bank en de medewerker. Er is geen sprake van een publiekrechtelijk ingesteld tuchtorgaan, zoals bij medici en advocaten. De sancties van een tuchtrechtelijk college kunnen derhalve enkel privaatrechtelijk van aard zijn, zoals een korting op het loon of in het uiterste geval zelfs ontslag. Dit mist de daadkracht en het afschrikwekkende karakter van een publiekrechtelijk tuchtrechtelijk oordeel. Een publiekrechtelijk tuchtrecht heeft andere mogelijke sancties, zoals het uit het ambt zetten in de advocatuur. Wanneer het door de wetgever opgelegde privaatrechtelijke tuchtrecht deze slagkracht mist, is wellicht het door de sector zelf geregelde, privaatrechtelijke tuchtrecht afdoende.

Uitbreiding eed of belofte

De voorgenomen uitbreiding van de eed of belofte zou, grof gezegd, alle medewerkers van de banken betreffen, ongeveer 90.000 personen. Dit zou derhalve een grote ingreep in de bancaire sector betreffen. Momenteel geldt de eed of belofte enkel voor de mensen belast met het opstellen van het dagelijks beleid en voor het toezichthoudende orgaan.[3] De eed of belofte wordt dus enkel door een beperkte groep afgelegd, de elite binnen het bankenwezen, en heeft een hoge symbolische waarde. De symbolische waarden vloeit voort uit de selecte groep die de eed of belofte af moet leggen en ziet op de morele druk die het afleggen met zich meebrengt. Deze symbolische waarde zorgt ervoor dat er een afschrikkende werking uitgaat van de eed of belofte. Het massaal afleggen hiervan, zelfs door de reguliere bankmedewerkers, zou af kunnen doen aan de symboliek en in het uiterste geval wellicht routinematig worden.

Een wettelijke verankering biedt de banken, als werkgever, wel een handvat om een wijziging aan te brengen in de reeds bestaande arbeidsrelatie met haar werknemers. Deze wijziging zal een stuk moeizamer gaan wanneer het komt vanuit een tuchtrecht uit de bancaire sector zelf.

Of het wetsvoorstel een daadkrachtige en efficiënte manier van wettelijke regulering in de bancaire sector is, valt kortom nog te bezien. Het mist naar mijn mening de daadkracht en het afschrikkend vermogen dat we bijvoorbeeld in de medische wereld en de advocatuur zien. Bovendien dreigt de (enorme) uitbreiding van de eed of belofte een ondermijning te zijn, het maakt het wellicht routinematig. De wens vanuit de samenleving lijkt in dezen te hebben geresulteerd in het onnodig wettelijk verankeren van bancair tuchtrecht.

Door: Leon Engelen

[1] Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, derde nota van wijziging.

[2] Advies RvS, W06.14.0083/III.

[3] Artikel 3:8 lid 1 jo lid 2 Wet op het Financieel Toezicht jo Regeling eed of belofte financiële sector.

Previous post

Meer berichten zijn er niet.

Next post

Toepassing van de pre-pack: hoop doet leven?