1. Inleiding

Op 5 december 2017 meldde de raad van commissarissen van Steinhoff (een meubelfabrikant) dat zij ernstige onregelmatigheden had aangetroffen in de boekhouding van de vennootschap.[1] In minder dan 21 uur kelderde de koers van Steinhoff van € 2,997 (op 5 december 2017 17:35 uur) naar € 0,943 (op 6 december 2017 13:54 uur). Een daling van maar liefst 68,54 procent in één dag.[2] Aan het eind van de week was de koers met 80 procent gedaald. Een bittere pil voor de aandeelhouders. Thans wankelt de koers rond de € 0,14, een daling van 95 procent ten opzichte van de openingskoers op 5 december 2017.[3]

Wat was er bij Steinhoff aan de hand? Steinhoff verkocht vastgoed in vennootschappen in landen waar geen transparantie is. Door te schuiven met het vastgoed in belastingparadijzen, kon het bedrijf doen alsof zij het vastgoed nog wel in bezit had. [4] Op deze manier werd de financiële situatie van het concern naar buiten toe opgepoetst. Beleggers gingen af op deze cijfers. Een deel van de beleggers laat het hier echter niet bij zitten, zij menen gedupeerd te zijn en willen de geleden schade vergoed zien.

In deze update zet ik kort de lopende procedures uiteen. Voorts besteed ik aandacht aan de competentie van de Duitse en Nederlandse rechter. Ik sluit af met een korte samenvatting waarin ik terugblik op het besprokene.

 

  1. Nederlands of Duits slagveld?

Op 19 december 2017 is door een individuele belegger bij het Landgericht Frankfurt am Main een schadevergoedingsvordering ingesteld tegen Steinhoff. Hij wil zijn schade – als gevolg van de koersdaling – vergoed zien.[5] De belegger heeft in die procedure tevens een verzoek ingediend tot het instellen van een modelprocedure op grond van de Kapitalanleger-Musterverfahrensgesetz (hierna: KapMug-procedure). De KapMug-procedure beoogt handhaving tegen valse, misleidende of achterwege gelaten kapitaalinformatie. In de modelprocedure kunnen juridisch identieke vragen in ten minste tien individuele schadeclaims op uniforme wijze worden bepaald door het Hooggerechtshof (Oberlandesgericht), met bindende kracht voor alle eisers.

Op 2 februari 2018 werd Steinhoff door de Vereniging voor Effectenbezitters (hierna: VEB) gedagvaard.[6] Omdat al eerder in Duitsland een geding aanhangig was gemaakt, moest de bevoegdheid van de Nederlandse rechter eerst worden vastgesteld.[7] De VEB vordert een verklaring voor recht dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is ten aanzien van de schadevergoedingsvorderingen. Steinhoff vordert bij incident dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaart of de zaak aanhoudt in afwachting van de beslissing van de Duitse rechter inzake zijn bevoegdheid in de procedure van de individuele belegger.[8] Subsidiair vordert Steinhoff dat de rechtbank Amsterdam de zaak aanhoudt tot er in de KapMug-procedure door de Duitse rechter een finale en in kracht van gewijsde gegane uitspraak wordt gewezen.[9]

 

  1. Beoordeling rechtbank Amsterdam

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat zij in beginsel bevoegd is kennis te nemen van de vordering, omdat Steinhoff statutair in Amsterdam is gevestigd.[10] In casu moest echter onderzocht worden of het in Duitsland aanhangige geding aanleiding geeft voor een uitzondering.

 

3.1 Artikel 29 Brussel I bis-Vo

Artikel 29 lid 1 Brussel I bis-Vo bakent de competentie van rechters uit verschillende lidstaten af. Het bepaalt dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij het geding als eerste is aangebracht vaststaat.

Op dit punt loopt het spaak voor Steinhoff. De VEB vertegenwoordigt verschillende beleggers, waarvan de individuele belegger (die het geding aanhangig heeft gemaakt in Duitsland) er niet één van is. Ook heeft de VEB – onweersproken – aangevoerd dat zij de individuele belegger niet zal vertegenwoordigen.[11] Het beroep van Steinhoff op artikel 29 Brussel I bis-Vo faalt daarmee.

 

3.2 Artikel 30 Brussel I bis-Vo

Artikel 30 Brussel I bis-Vo bepaalt dat in sommige zaken de uitspraak aangehouden kan worden. Dit kan wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten. Artikel 30 lid 3 Brussel I bis-Vo bepaalt dat samenhangend zijn: ‘vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’.

Steinhoff betoogt dat een eventuele modeluitspraak in de KapMug-procedure gelijkstaat aan de 3:305a-procedure[12] die aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. De KapMug-procedure kan enkel worden toegepast in procedures waarin het aangezochte Duitse gerecht rechtsmacht heeft. Dat het Landgericht rechtsmacht heeft, staat niet zonder meer vast. Artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo bepaalt dat een persoon (Steinhoff) die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Het HvJEU heeft overwogen dat de plaats waar de schade is ingetreden kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.[13] Het Hof heeft echter een uitzondering gemaakt op deze regel: in geval van zuiver financiële schade geldt dat het intreden van de schade op de bankrekening van de benadeelde belegger niet leidt tot rechtsmacht van de rechter van het land van de bankrekening.[14] Hieruit volgt dat beleggers die in Duitsland hun schadevergoedingsvordering willen indienen mogelijk misschieten. De rechtbank betwijfelt hiermee of de KapMug-procedure überhaupt kan plaatsvinden.

Bovendien is artikel 30 Brussel I bis-Vo niet van dwingendrechtelijke aard. Het artikel geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid. De KapMug-procedure betreft een opt-in-procedure. Een 3:305a-procedure is een opt-out-procedure. Daarnaast is het – voor de KapMug-procedure – een formele eis dat minstens 10 beleggers eenzelfde vordering instellen. Ten tijde van de zitting was niet gebleken dat daar sprake van is. Deze omstandigheden leiden ertoe dat het onduidelijk is of binnen een redelijke termijn een uitspraak in de KapMug-procedure is te verwachten. Daarom houdt de rechtbank de zaak niet aan. Het beroep van Steinhoff op artikel 30 Brussel I bis-Vo faalt derhalve.

 

  1. Resumerend

Meubelgigant Steinhoff is – zacht uitgedrukt – niet koosjer geweest in de jaarrekeningen. De koers van Steinhoff kwam als gevolg van het boekhoudschandaal in een neerwaartse spiraal terecht. Vandaag de dag hangt de koers rond de € 0,14. Dit komt neer op een daling van 95 procent ten opzichte van de koers vlak voor het schandaal.

Een deel van de aandeelhouders laat het hier niet bij zitten. Een individuele aandeelhouder heeft in Frankfurt een geding aanhangig gemaakt. Vervolgens heeft de VEB in Amsterdam een geding aanhangig gemaakt. De Amsterdamse rechtbank moest beoordelen of sprake was van een situatie als bedoeld in de artikelen 29 en 30 Brussel I bis-Vo. Uiteindelijk achtte de rechtbank het aannemelijk dat het ging om verschillende eisers. Daarom was artikel 29 Brussel I bis-Vo niet van toepassing. Ook artikel 30 Brussel I bis-Vo is hier niet van toepassing. Het staat immers nog niet vast of er voldaan is aan de formele eisen voor een KapMug-procedure. De rechtbank Amsterdam concludeerde daarom dat de zaak VEB vs Steinhoff in Nederland kan worden uitgevochten.

 

[1] ‘Schandalen stapelen zich op rond gevallen meubelmagnaat’, Het Financieele Dagblad 25 juni 2018.

[2] Woonwinkelconcern Steinhoff verliest helft beurswaarde na ‘onregelmatigheden’ in boekhouding’, Het Financieele Dagblad 6 december 2017.

[3] Https://www.bloomberg.com/quote/SNH:GR, laatst geraadpleegd op 9 oktober 2018.

[4] ‘Steinhoff creëert op Bahama’s mistbank rond Brits vastgoed’, Het Financieele Dagblad 9 april 2018.

[5] Rb. Amsterdam 26 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6840, r.o. 2.7.

[6] ‘VEB dagvaardt meubelgigant Steinhoff’, De Telegraaf 2 februari 2018.

[7] Verordening (EG) nr. 44/2001, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

[8] Art. 29 Verordening (EG) nr. 44/2001.

[9] Art. 30 Verordening (EG) nr. 44/2001.

[10] Artt. 2 en 99 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

[11] Rb. Amsterdam 26 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6840, r.o. 4.6.

[12] Art. 3:305a BW.

[13] HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1318.

[14] HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37.

Previous post

De tweet van Elon Musk in Nederlands perspectief

Next post

Voorontwerp Wet opheffing verpandingsverboden in het kort