Enige tijd geleden schreef ik over de woekerpolisaffaire en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat daarin is gewezen.[1] Onlangs verschenen een uitspraak van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (‘KiFiD’) en een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland inzake de woekerpolisaffaire waarin het arrest van het HvJEU werd uitgelegd, maar met zeer uiteenlopende interpretaties.[2]

De rechtsregel van het Hof van Justitie
Met woekerpolissen worden verzekeringsproducten met hoge verborgen kosten bedoeld. De rechtsvraag waar de affaire om draait, is of verzekeraars indertijd (beter) inzicht in deze kosten hadden moeten geven, ook al kende de destijds vigerende regelgeving geen expliciete verplichting hiertoe. Het Hof van Justitie besloot echter dat ook open normen (bijvoorbeeld de redelijkheid en billijkheid) een dergelijke plicht op verzekeraars kunnen leggen, mits:

  1. de verlangde aanvullende informatie duidelijk en nauwkeurig is;
  2. de verlangde informatie noodzakelijk is voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis;
  3. de rechtszekerheid voor de verzekeraar voldoende is gewaarborgd, in die zin dat ook verzekeraar kon voorzien dat hij de aanvullende informatie diende te verstrekken.

Let wel, het Hof van Justitie oordeelt niet op de vraag of dit ook het geval was. Dat is een vraag die door nationale rechterlijke instanties moest worden beantwoord.

Uitspraak van het KiFiD
Consumenten die de interne klachtenprocedure van hun financiële dienstverlener hebben doorlopen, kunnen als het ware in beroep gaan bij het KiFiD. De consument kan het KiFiD vragen om een bindend advies. Vraagt de consument niet om een bindend advies, dan staat na een uitspraak van het KiFiD nog de gang naar de civiele rechter open. Een klant van Nationale Nederlanden (‘NN’) diende aldus een klacht in bij het KiFiD over zijn woekerpolis. Het KiFiD oordeelde dat aanvullende informatie, meer specifiek inzicht in wat de beleggingsverzekering de consument uiteindelijk kan opleveren en wat hij daarvoor dient te betalen, noodzakelijk was voor een goed begrip door de consument van de wezenlijke bestanddelen van de door hem gesloten overeenkomst. Van de verzekeraar kan daarom steeds verlangd worden dat hij de consument tenminste informeert over welke soort kosten hij op de te betalen premie in mindering brengt en dat hij inzicht geeft in de mogelijke gevolgen daarvan voor het uiteindelijk met de beleggingsverzekering te behalen resultaat.

Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland
De Rechtbank Midden-Nederland oordeelde in een zaak tegen ASR dat de verzekeraar in 1993 de kosten van de beleggingsverzekering niet hoefde uit te splitsen voor de consument. Uit allerhande Kamerstukken, rapporten van de Pensioen- en Verzekeringskamer, de Ombudsman en de Consumentenbond uit de jaren ’90 concludeert de rechtbank dat er slechts op indirecte wijze hoefde te worden geïnformeerd over de kosten van het product. Dat was destijds ingegeven doordat werd aangenomen dat de aankoopbeslissing van de consument werd gebaseerd op de mogelijke einduitkering en de consument daarmee ook in staat werd gesteld om beleggingsverzekeringen goed met elkaar te vergelijken. Het lijkt mij juist dat de rechtbank de rechtszekerheid uitlegt conform de destijds geldende maatschappelijke opvattingen.

Wat is nu rechtens?
Of een verzekeraar indertijd meer informatie had moeten verstrekken omtrent de kosten van de beleggingsverzekering, moet aan de hand van drie cumulatieve voorwaarden worden beoordeeld. De rechtbank besteedt weinig aandacht aan de tweede voorwaarde. Echter, omdat de voorwaarden cumulatief zijn, en naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de derde voorwaarde, zal een oordeel omtrent de tweede voorwaarde geen verschil maken voor de eindbeslissing. Het KiFiD komt tot het oordeel dat NN in de betreffende zaak wel aanvullende informatie had moeten verstrekken, maar gaat erg gemakkelijk voorbij aan de derde voorwaarde. Beide partijen lijken nog in beroep te kunnen bij de Commissie van Beroep van het KiFiD op de grond dat het partijbelang groter is dan €25.000 dan wel dat de uitspraak zo principieel is dat het belang ervan voor de sector de €5.000.000 overschrijdt.[3] Mogelijk sluit het KiFiD bij toekomstige oordelen aan bij de uitspraak van de rechtbank, maar vooralsnog lijkt de consument beter af te zijn bij het KiFiD.

 

[1] HvJEU 29 april 2015, C-51/13 (NN/Van Leeuwen)

[2] Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2016-129 d.d. 29 maart 2016 (X/Nationale Nederlanden) en Rb. Midden-Nederland 9 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1107 (X/ASR)

[3] Zie Reglement Commissie van Beroep financiële dienstverlening (KiFiD) art. 5.1 en 5.4. De beroepsgronden zijn alternatief.

Previous post

Wanorde bij FC Twente

Next post

De privatisering van Holland Casino