Vorige week werd bekend dat Nationale Nederlanden (hierna: ‘NN’) heeft geschikt met dhr. Van Leeuwen inzake diens woekerpolis. NN en dhr. Van Leeuwen zijn in 2000 een beleggingsverzekering aangegaan; een combinatie van een spaarbeleggingsrekening en een overlijdensrisicoverzekering. Deze combinatie van producten bleek een ‘woekerpolis’ te zijn: een polis die door allerlei verborgen kosten (en sterk tegenvallende rendementen) uiteindelijk veel minder oplevert dan bij aanvang van de polis door de aanbieder werd voorgespiegeld.

Hoe werkt de woekerpolis precies?

De polishouder stort een maandelijks bedrag om over een X-aantal jaren over een bepaald vermogen te beschikken, bijvoorbeeld om de hypotheek af te lossen of voor een aanvullend pensioen. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het beleggingsresultaat van het ingelegde vermogen. Naast dit spaarbeleggingsproduct omvat de woekerpolis een overlijdensrisicoverzekering zodat bij voortijdig overlijden van de polishouder een bepaald bedrag wordt uitgekeerd aan diens nabestaanden (in geval van dhr. Van Leeuwen een bedrag groot €250.000,–). De premie hiervoor is onder meer afhankelijk van het beleggingsresultaat (bij lagere beleggingsresultaten loopt NN immers een groter risico om meer te moeten uitkeren dan door de polishouder op moment van voortijdig overlijden is opgebouwd). De kosten worden automatisch op het opgebouwde vermogen ingehouden.

Door sterk dalende beleggingsresultaten gedurende de financiële crisis van de afgelopen jaren stegen de kosten voor de overlijdensrisicoverzekering enorm. Dit resulteerde veelal in een zichzelf opetend product: doordat de kosten de beleggingsresultaten en soms zelfs de inleg overstegen bleven cliënten zitten met een waardeloos product of zelfs een restschuld. Dit is natuurlijk vervelend voor de beleggers, maar zij zijn zelf met de polisvoorwaarden en dus de risico’s van het product akkoord gegaan.

In het geval van dhr. Van Leeuwen staat vast dat NN indertijd (i.e. bij het afsluiten van de polis) voldeed aan de informatieplichten die golden op grond van de destijds vigerende Derde Levensrichtlijn (richtlijn 92/96/EEG). De vraag is of NN heeft voldaan aan haar precontractuele informatieplicht die NN krachtens de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) in acht moet nemen.

Rechtsgang

Er zijn in de loop der jaren zo’n 6 miljoen woekerpolissen verkocht in Nederland; genoeg voer voor claimstichtingen (stichtingen in de zin van art. 3:305a BW en de WCAM, zie eerdere update Anke Goossens, De Class Action in Rechtsvergelijkend Perspectief) om als paddenstoelen uit de grond te schieten. Vanwege de dreiging van deze claimstichtingen is NN in 2012 een proefprocedure gestart tegen één van haar woekerpolis-cliënten.[1]

Inzet was het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie (hierna: ‘HvJ’): kunnen open normen NN verplichten informatie te verstrekken die verder gaat dan de op dat moment vigerende wettelijke normen? Het HvJ antwoordde bevestigend, mits “de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt.”[2] De verwijzende rechter (Rechtbank Rotterdam) moet voorts deze vuistregel toepassen op het geschil. Zowel NN als allerhande claimstichtingen beweerden dat het arrest van het HvJ in hun voordeel was, hetgeen genoeg zegt over de ambiguïteit van de uitspraak. Toch durft NN het kennelijk niet aan om – gewapend met deze vuistregel – een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam af te wachten; naar verluidt bedraagt de schikking met dhr. Van Leeuwen enkele tienduizenden euro’s.

Uitspraak rechtbank Den Haag

Nu geen einduitspraak van de rechtbank Rotterdam zal worden verkregen, moeten de claimstichtingen hun strategie herzien. Bovendien hebben de woekerpolisclaimstichtingen nog een andere tegenslag te verwerken gekregen. In een procedure voor de Rechtbank Den Haag teneinde een onrechtmatigheidsoordeel inzake 115 verschillende soorten woekerpolissen te verkrijgen, werd Vereniging Woekerpolis.nl ten aanzien van 112 van die woekerpolissen niet-ontvankelijk verklaard.[3] De art. 3:305a BW-procedure leent zich immers alleen voor gelijksoortige belangen, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van alle belanghebbenden kan worden bevorderd. Blijkbaar lopen de verschillende woekerpolissen dusdanig uiteen dat zij zich niet lenen voor gezamenlijke behandeling. Echt verrassend is dit niet, daar de Commissie Verzekeraars al begin dit jaar tot eenzelfde conclusie kwam.[4] Claimstichtingen zullen hun procedures dus minder massaal moeten insteken of particulieren zullen individueel hun woekerpolis moeten aanvechten.

 

Door: Jeroen van Calker

[1] Achtereenvolgens Rb. Rotterdam 14 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:9087; Rb. Rotterdam 11 juli 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:9088 en Rb. Rotterdam 28 november 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY5159.

[2] HvJEU 29 april 2015, C-51/13 (NN/Van Leeuwen).

[3] Rb. Den Haag 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12213.

[4] Rapport van de Commissie Verzekeraars, bijlage bij Kamerbrief rapport Commissie Verzekeraars, 5 maart 2015, p. 54.

Previous post

Aansprakelijkheid van de Fairstair-top

Next post

Grootste overname aller tijden in de brouwerijsector